ECLI:NL:CBB:2013:BZ4234

College van Beroep voor het bedrijfsleven

Datum uitspraak
20 februari 2013
Publicatiedatum
8 april 2013
Zaaknummer
AWB 11/709
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste en enige aanleg
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:68 AwbRegeling GLB-inkomenssteun 2006
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bestuursrechtelijke uitspraak over vaststelling perceelsoppervlakte bedrijfstoeslag 2010

Appellante heeft bij haar gecombineerde opgave voor 2010 een oppervlakte van 4,95 hectare opgegeven voor perceel 3, waarop zij mais heeft gezaaid. Verweerder heeft bij het primaire besluit de oppervlakte vastgesteld op 4,73 hectare, gebaseerd op een controle met een systeem van referentiepercelen en een luchtfoto waarop bomen en een sloot zichtbaar zijn, die niet subsidiabel zijn.

Appellante betwist de vastgestelde oppervlakte, stelt dat er geen bomen staan en dat de loonwerker zaad voor 4,95 hectare heeft gebruikt, maar heeft deze stellingen niet met bewijs onderbouwd. Het College neemt de luchtfoto en het referentieperceelsysteem als juist aan en concludeert dat de oppervlakte terecht is vastgesteld op 4,73 hectare.

Het beroep wordt daarom ongegrond verklaard en er worden geen proceskosten toegewezen. Het besluit van verweerder blijft in stand.

Uitkomst: Het beroep van appellante tegen de vastgestelde oppervlakte van perceel 3 wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

uitspraak
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
zaaknummer: AWB 11/709
5101 Regeling GLB-inkomenssteun 2006
Uitspraak van de enkelvoudige kamer van 20 februari 2013 in de zaak tussen
Maatschap A en B, te C, appellante,
en
de staatssecretaris van Economische Zaken, verweerder
(gemachtigden: drs. M. Star en mr. C.E.B. Haazen).
Procesverloop
Bij besluit van 23 februari 2011 (het primaire besluit) heeft verweerder de bedrijfstoeslag van appellante voor het jaar 2010 vastgesteld op grond van de Regeling GLB-inkomenssteun 2006.
Bij besluit van 5 augustus 2011 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van appellante ongegrond verklaard.
Appellante heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 februari 2012.
Appellante heeft zich laten vertegenwoordigen door A en B en verweerder door zijn gemachtigden.
Bij beslissing van 27 maart 2012 heeft het College het onderzoek op grond van artikel 8:68, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) heropend in verband met de geplande behandeling van een aantal andere zaken waarin de uitspraak van belang zou kunnen zijn voor deze zaak.
Met toestemming van partijen is het nader onderzoek ter zitting achterwege gebleven. Het College heeft het onderzoek gesloten.
Overwegingen
1. Met haar Combineerde Opgave 2010 heeft appellante uitbetaling van toeslagrechten aangevraagd. Zij heeft daartoe 7 gewaspercelen met een totale oppervlakte van 25,16 ha opgegeven en voor uitbetaling aangekruist. Hierbij heeft zij perceel 3 opgegeven voor een oppervlakte van 4,95 ha.
2. Bij het primaire besluit heeft verweerder appellantes bedrijfstoeslag 2010 vastgesteld op
€ 8.582,88 (inclusief modulatiekorting). Daarbij is de oppervlakte van perceel 3 vastgesteld op 4,73 ha.
3. Appellante is het niet eens met de door verweerder geconstateerde oppervlakte van perceel 3. In 2010 heeft zij mais laten zaaien. De loonwerker heeft toen voor 4,95 ha zaad gebruikt. Er staan geen bomen in dat perceel.
4. Verweerder heeft de door appellante opgegeven oppervlakte gecontroleerd met gebruikmaking van een systeem voor de identificatie van percelen landbouwgrond. In Nederland is dit systeem gebaseerd op topografische percelen die dienst doen als referentiepercelen. Deze topografische percelen kunnen vervolgens bestaan uit één of meer gewaspercelen. In 2009 zijn alle referentiepercelen opnieuw vastgesteld. Tezamen vormen ze de zogenoemde A(grarisch)A(reaal)N(ederland)-laag. Appellantes gewaspercelen, inclusief het in geschil zijnde gewasperceel 3, zijn aan de hand van deze referentiepercelen gecontroleerd. Verweerder is van mening dat dit correct is gebeurd. Met betrekking tot perceel 3 wordt het verschil tussen de door appellante opgegeven oppervlakte en de geconstateerde oppervlakte veroorzaakt door bomen in het perceel. Deze bevinden zich aan de bovenkant van het perceel nabij het voetbalveld. Ook ligt er aan de bovenkant een sloot. Dergelijke oppervlaktes zijn niet subsidiabel.
5. Tot de gedingstukken behoort de door verweerder bij de controle gebruikte luchtfoto. Appellante betwist de aanwezigheid van de door verweerder genoemde sloot niet. Daarom gaat het College hiervan ook uit. Voorts zijn op de luchtfoto op het door verweerder bedoelde gedeelte van het opgegeven perceel donkergroene verkleuringen zichtbaar die wijzen op de aanwezigheid van bomen. Appellante heeft daartegenover wel gesteld, maar niet met bewijs onderbouwd dat daar geen bomen staan. Appellante heeft deze stelling dan ook niet aannemelijk gemaakt. Zij heeft haar stelling dat de loonwerker voor 4,95 ha mais heeft gezaaid evenmin met bewijs onderbouwd. Reeds daarom ziet het College in die stelling evenmin aanleiding te twijfelen aan de juistheid van de door verweerder geconstateerde oppervlakte van perceel 3. Het College komt dus tot de conclusie dat verweerder deze oppervlakte terecht heeft bepaald op 4,73 ha.
6. Het beroep is ongegrond.
7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
Het College verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.C. Stuldreher, in aanwezigheid van mr. M.J. van Veen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 20 februari 2013.
w.g. S.C. Stuldreher w.g. M.J. van Veen