ECLI:NL:CBB:2013:BZ1758
College van Beroep voor het bedrijfsleven
- Hoger beroep
- W.A.J. van Lierop
- W.E. Doolaard
- J.A.M. van den Berk
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep tegen boetebesluiten Meststoffenwet over gebruiksnormen landbouwgrond
In deze zaak staat centraal of de door A c.s. in 2007 gehuurde percelen landbouwgrond in Friesland als tot hun bedrijf behorende oppervlakte landbouwgrond kunnen worden aangemerkt voor toepassing van de Meststoffenwet. De staatssecretaris had deze percelen buiten beschouwing gelaten bij de berekening van het mestgebruik, wat leidde tot het opleggen van bestuurlijke boetes wegens overschrijding van gebruiksnormen.
De rechtbank had geoordeeld dat de percelen niet tot het bedrijf behoorden omdat ze niet feitelijk in gebruik waren en A c.s. niet de beschikkingsmacht hadden. Het College stelt echter dat de wet en de memorie van toelichting geen voorwaarde stellen dat de grond daadwerkelijk in gebruik moet zijn, maar dat de feitelijke beschikkingsmacht doorslaggevend is. Uit bewijsstukken blijkt dat A c.s. een exclusief gebruiksrecht hadden en de feitelijke beschikkingsmacht konden uitoefenen.
Het College vernietigt daarom de uitspraak van de rechtbank en het besluit van de staatssecretaris, herroept de boetebesluiten en veroordeelt de staatssecretaris tot vergoeding van proceskosten en griffierecht. Het hoger beroep van A c.s. wordt gegrond verklaard.
Uitkomst: Het hoger beroep van A c.s. wordt gegrond verklaard en het besluit van de staatssecretaris vernietigd wegens feitelijke beschikkingsmacht over de percelen.