ECLI:NL:CBB:2013:337

College van Beroep voor het bedrijfsleven

Datum uitspraak
16 december 2013
Publicatiedatum
30 januari 2014
Zaaknummer
AWB 12/318
Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging ambtshalve doorhaling inschrijving onderneming wegens inactiviteit

Verweerster, de Kamer van Koophandel Midden-Nederland, heeft op 5 december 2011 ambtshalve de inschrijving van de onderneming van appellante in het handelsregister doorgehaald nadat de Belastingdienst had gemeld dat de onderneming niet meer actief was. Appellante kreeg de gelegenheid om binnen 14 dagen bewijs te leveren van haar actieve bedrijfsvoering, maar heeft dit nagelaten.

Bij het bestreden besluit van 6 februari 2012 handhaafde verweerster de doorhaling en verklaarde het bezwaar van appellante ongegrond. Appellante stelde beroep in tegen dit besluit, maar verscheen niet op de zitting van 2 december 2013. Het College stelde vast dat appellante geen bewijs had overgelegd dat haar onderneming nog actief was en dat zij voldoende gelegenheid had gehad dit te doen.

Verder wees het College op een misvatting van appellante dat haar inschrijving in het handelsregister noodzakelijk zou zijn voor het uitoefenen van haar werkzaamheden als tolk, hetgeen niet het geval is volgens het tolkenregister. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het beroep tegen de ambtshalve doorhaling van de inschrijving van de onderneming wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

Zaaknummer: 12/318
24300

Uitspraak van de enkelvoudige kamer van 16 december 2013 in de zaak tussen

[naam], appellante

en

de Kamer van Koophandel Midden-Nederland, verweerster

(gemachtigde: mr. B.A. van den Enden-Holtkamp).

Procesverloop

Bij besluit van 5 december 2011 is verweerster overgegaan tot ambtshalve doorhaling van de registratie van onderneming van appellante in het handelsregister.
Bij besluit van 6 februari 2012 (het bestreden besluit) heeft verweerster het bezwaar van appellante ongegrond verklaard.
Appellante heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Verweerster heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 december 2013. Appellante is niet verschenen. Verweerster heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1.
Bij brief van 25 oktober 2011 heeft verweerster appellante bericht dat de Belastingdienst verweerster heeft ingelicht dat het vertaal- en tolkenbureau van appellante niet meer voorkomt als een actieve onderneming. Dit signaal heeft bij verweerster het vermoeden opgeleverd dat de onderneming van appellante ten onrechte in het handelsregister is ingeschreven. Verweerster heeft appellante met een bericht van 4 november 2011 de gelegenheid geboden om binnen 14 dagen (met verstuurde facturen of opdrachtbevestigingen) bewijs te leveren dat haar onderneming nog activiteiten ontplooid. Verweerster heeft geen stukken van appellante ontvangen en heeft vervolgens ambtshalve de registratie van de onderneming van appellante in het handelsregister doorgehaald.
2.
Bij het bestreden besluit handhaaft verweerster haar standpunt. Ook in bezwaar heeft appellante nagelaten bewijs te leveren waaruit blijkt dat de onderneming van appellante nog actief is.
3.
Het College stelt vast dat appellante heeft nagelaten bewijs bij te brengen waaruit zou kunnen blijken dat de onderneming van appellante (nog) actief is en die de informatie van de Belastingdienst ontkracht. Appellante heeft voldoende gelegenheid gehad om dat bewijs (alsnog) over te leggen. Onder die omstandigheden moet het College het er met verweerder voor houden dat geen sprake is van voldoende omvang van activiteiten of omzet. Verweerster is derhalve terecht tot ambtshalve uitschrijving van de onderneming van appellante overgegaan.
4.
De veronderstelling van appellante dat haar inschrijving in het handelsregister nodig is om haar werk als tolk te kunnen uitoefenen, berust overigens, naar door verweerster bij het tolkenregister ingewonnen inlichtingen, op een misvatting.
5.
Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.C. Stam, in aanwezigheid van mr. P.M. Beishuizen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 16 december 2013.
w.g. R.C. Stam w.g. P.M. Beishuizen