Appellant heeft beroep ingesteld tegen het besluit van de Staatssecretaris van Economische Zaken waarin de bedrijfstoeslag voor 2010 werd vastgesteld. De kern van het geschil betrof de oppervlakte van perceel 14 en de toepassing van een korting wegens vermeende onjuiste opgave. Verweerder had aanvankelijk het primaire besluit genomen om de toeslag volledig af te wijzen wegens opzettelijke onjuiste opgave, maar heeft dit herroepen en alsnog toeslag toegekend.
Tijdens de procedure heeft het College vastgesteld dat perceel 14 weliswaar was afgewezen voor uitbetaling, maar dat geen korting was toegepast. Daarnaast waren de bezwaren van appellant over de slotenmarge, perceelsgrenzen en het ontbreken van een fysieke veldinspectie onvoldoende concreet en overtuigend om het bestreden besluit te wijzigen.
Het College oordeelde dat de vaststelling van de oppervlaktes op basis van luchtfoto’s en administratieve controles juist was en dat het beroep ongegrond is. Wel werd verweerder veroordeeld in de proceskosten vanwege de onduidelijkheid die ontstond door een onjuiste bijlage bij het bestreden besluit, wat extra werkzaamheden voor appellant veroorzaakte.