Uitspraak
staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu(hierna: de staatssecretaris).
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Appellant stelde bezwaar en beroep in tegen het besluit van de staatssecretaris om de hoofdsporen van de Oosterspoorbaan buiten gebruik te stellen vanwege een tramverbinding in Utrecht. De rechtbank verklaarde het bezwaar gegrond en vernietigde het besluit, maar handhaafde de rechtsgevolgen. De staatssecretaris had het bezwaar eerst niet-ontvankelijk verklaard wegens termijnoverschrijding en het ontbreken van een belanghebbende.
Appellant voerde aan dat zijn onderneming plannen heeft ontwikkeld voor goederendistributie per spoor in Utrecht Oost, waarbij de Oosterspoorbaan essentieel is. Hij stelde dat hij hierdoor rechtstreeks in zijn ondernemersbelang wordt geraakt. De staatssecretaris en het College oordeelden dat appellant geen eigen, actueel en rechtstreeks belang heeft, omdat hij de plannen niet zelfstandig uitvoert en geen gronden heeft verworven.
Het College stelde vast dat plannen zonder concreet begin van uitvoering onvoldoende zijn om als belanghebbende te worden aangemerkt. Appellant kon zijn stellingen niet onderbouwen met bewijs van uitvoering of investeringen. Daarom bevestigde het College de uitspraak van de rechtbank dat appellant niet-ontvankelijk is in zijn bezwaar. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het College bevestigt dat appellant geen belanghebbende is en verklaart het beroep afwijzend wegens ontbreken van een eigen, rechtstreeks en actueel belang.