ECLI:NL:CBB:2013:268

College van Beroep voor het bedrijfsleven

Datum uitspraak
6 december 2013
Publicatiedatum
12 december 2013
Zaaknummer
AWB 12/431
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 43i Regeling identificatie en registratie van dierenVerordening (EG) nr. 21/2004
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen investeringsheffing schapenregistratie niet-ontvankelijk verklaard

Appellant, een schapenhouder en landschapsbeheerder, werd geconfronteerd met een investeringsheffing van € 683,50 op grond van de Regeling identificatie en registratie van dieren. Deze heffing bestond uit een vast bedrag per Uniek Bedrijfsnummer en een bedrag ter dekking van investeringskosten voor het I&R-systeem. Appellant betwistte deze heffing, stellende dat hij ongelijk werd behandeld ten opzichte van schapenhouders met minder dan 100 dieren en dat de database in 2010 niet goed functioneerde.

De Staatssecretaris verweerde zich met het standpunt dat de wetgever een onderscheid heeft gemaakt tussen houders met meer dan 100 dieren en minder, en dat dit niet in strijd is met het gelijkheidsbeginsel. Tevens wees hij erop dat appellant reeds een ander beroep had ingesteld tegen een besluit over de bedrijfstoeslag 2010, waarin de modulatiekorting aan de orde was, maar dat appellant dit beroep had ingetrokken waardoor dat besluit in rechte vaststaat.

Het College overwoog dat appellant geen direct belang heeft bij de uitkomst van de procedure omdat de verlaging door modulatiekorting onderdeel is van een ander besluit waartegen dit beroep niet is gericht. Hierdoor kan appellant niet het gewenste resultaat bereiken met dit beroep. Daarom verklaarde het College het beroep niet-ontvankelijk. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het beroep van appellant tegen de investeringsheffing wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens gebrek aan procesbelang.

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 12/431
5101

Uitspraak van de meervoudige kamer van 6 december 2013 in de zaak tussen

[A], te [woonplaats], appellant

en

de Staatssecretaris van Economische Zaken, verweerder

(gemachtigde: mr. R. Kuipers).

Procesverloop

Op 20 januari 2012 heeft verweerder op grond artikel 43i van de Regeling identificatie en registratie van dieren (de Regeling) bepaald dat appellant ‘Heffingen en Retributies Dierregistraties (I&R) 2010’ is verschuldigd. Bij besluit van 15 maart 2012 heeft verweerder het bezwaar van appellant hiertegen ongegrond verklaard.
Appellant heeft beroep ingesteld tegen het besluit van 15 maart 2012 en verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 november 2013. Appellant is verschenen. Verweerder werd vertegenwoordigd door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1.
Per 1 januari 2010 is de op Verordening (EG) nr. 21/2004 gebaseerde verplichting tot individuele registratie van schapen en geiten ingevoerd. Teneinde een dergelijke registratie mogelijk te maken zijn door het toenmalige Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit investerings- en uitvoeringskosten gemaakt. Afgesproken is dat die kosten worden verdeeld tussen dit ministerie en het bedrijfsleven. De investeringskosten komen voor rekening van houders die meer dan 100 schapen of geiten houden op hun UBN. Ter financiering van de investeringsheffing krijgen deze houders een compensatie via de toekenning van bedrijfstoeslag.
2.
Appellant is schapenhouder/landschapsbeheerder te [woonplaats]. De aan appellant opgelegde heffing van € 683,50 bestaat uit een vast bedrag per Uniek Bedrijfsnummer (UBN) van € 33,50 en een heffing ter dekking van de investeringskosten van € 650,-.
3.
Appellant bestrijdt de investeringsheffing. Hij is van mening dat hij niet gelijk wordt behandeld met degenen die 100 of minder dieren houden. Hij vindt dat alle schapenhouders deze heffing moeten betalen omdat zij allen gebruik moeten maken van de centrale database. Schapenhouders met minder dan € 5.000,- aan bedrijfstoeslag ontvangen € 650,- ter compensatie van de opgelegde heffing. Appellant, die meer dan € 5.000,- aan bedrijfstoeslag ontvangt, krijgt per saldo een bedrag van € 598,-: de compensatie van € 650,- wordt tot de bedrijfstoeslag gerekend en daarover wordt 8 % modulatiekorting berekend. Dit komt – voor wat betreft de investeringsheffing – neer op een bedrag van € 52,-. Appellant acht het verder onjuist dat hij voor een database die in 2010 niet goed werkte het volledige bedrag moet betalen.
4.
Verweerder heeft zich hierover op het standpunt gesteld dat de wetgever een weloverwogen onderscheid heeft gemaakt tussen houders met meer dan 100 dieren en met 100 of minder dieren. Om die reden is er volgens verweerder geen strijd met het gelijkheidsbeginsel. Verder heeft verweerder er op gewezen dat appellant tegen de beslissing van 10 februari 2012, waarbij het bezwaar van appellant tegen de toekenning van bedrijfstoeslag 2010 ongegrond is verklaard, beroep heeft ingesteld bij het College. In deze beslissing is verweerder gemotiveerd ingegaan op het bezwaar van appellant tegen de modulatiekorting. In het beroep tegen dit besluit kon de modulatiekorting aan de orde komen. Appellant heeft dat beroep echter ingetrokken, waarmee het besluit van 10 februari 2012 in rechte is komen vast te staan. Tot slot stelt verweerder dat het nieuwe I&R-systeem is verbeterd en dat de Regeling niet voorziet in een lagere heffing voor de periode dat het systeem nog niet optimaal functioneerde.
5.1
Het College overweegt als volgt. Het is een ongeschreven regel van procesrecht dat geen rechtsgeding kan worden gevoerd indien geen direct belang bij de uitkomst van de procedure bestaat. Het doel dat de belanghebbende met het instellen van het rechtsmiddel wil bereiken, moet hij ook daadwerkelijk kunnen bereiken en dat resultaat moet voor de indiener feitelijk betekenis hebben en niet alleen hypothetische.
5.2
Vast staat dat aan appellant een compensatie van € 650,- voor de investeringsheffing is toegekend en uitbetaald. Evenmin is in geschil dat over dit bedrag modulatiekorting is berekend en dat appellant per saldo een lager bedrag heeft ontvangen. Appellant kan deze verlaging echter niet in het kader van deze beroepsprocedure tegen het heffingsbesluit aan de orde stellen. De modulatiekorting is immers onderdeel van een ander besluit – de toekenning bedrijfstoeslag 2010 – waartegen het huidige beroep niet is gericht. Om die reden kan appellant met de onderhavige procedure niet het resultaat bereiken dat hem voor ogen staat, te weten volledige compensatie van de opgelegde investeringsheffing. Hieruit volgt dat appellant geen belang heeft bij inhoudelijke toetsing van verweerders besluit van 15 maart 2012.
6.
Het beroep dient niet-ontvankelijk te worden verklaard. Voor een proceskostenveroordeling ziet het College geen aanleiding.

Beslissing

Het College verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C.J. Waterbolk, mr. J. Schukking en mr. H.L. van der Beek, in aanwezigheid van mr. E. van Kerkhoven, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 6 december 2013.
w.g. C.J. Waterbolk w.g. E. van Kerkhoven