ECLI:NL:CBB:2013:23

College van Beroep voor het bedrijfsleven

Datum uitspraak
14 juni 2013
Publicatiedatum
4 juli 2013
Zaaknummer
AWB 12/908
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste en enige aanleg
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 28 Verordening (EG) nr. 1122/2009
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrond beroep tegen vaststelling subsidiabele oppervlakte bedrijfstoeslag GLB 2011

Appellante heeft beroep ingesteld tegen het besluit van de Staatssecretaris van Economische Zaken waarin de subsidiabele oppervlakte van haar landbouwpercelen voor de bedrijfstoeslag 2011 was vastgesteld. De kern van het geschil betrof de oppervlaktebepaling van twee percelen, waarbij appellante zich baseerde op een GPS-meting die volgens haar een grotere subsidiabele oppervlakte aantoonde.

De verweerder had de oppervlakte vastgesteld op basis van een administratieve controle conform artikel 28 van Pro Verordening (EG) nr. 1122/2009, waarbij de opgegeven percelen werden vergeleken met referentiepercelen en luchtfoto's uit 2011. Uit de vergelijking bleek dat de GPS-meting ook niet-subsidiabele elementen zoals wegen en verhardingen had meegenomen.

Het College concludeerde dat de GPS-meting onvoldoende twijfel opriep over de juistheid van de oppervlaktebepaling door verweerder. Daarom werd het beroep ongegrond verklaard. Tevens werd geen aanleiding gezien voor een proceskostenveroordeling.

Uitkomst: Het beroep tegen de vaststelling van de subsidiabele oppervlakte van de percelen wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 12/908
5101

Uitspraak van de enkelvoudige kamer van 14 juni 2013 in de zaak tussen

maatschap [A] en [B], te [woonplaats], appellante
(gemachtigde: ir. S. Boonstra)
en

de Staatssecretaris van Economische Zaken, verweerder

(gemachtigde: bc. R. Weltevreden).

Procesverloop

Bij besluit van 4 mei 2012 (het primaire besluit) heeft verweerder de bedrijfstoeslag van appellante voor het jaar 2011 vastgesteld op grond van de Regeling GLB-inkomenssteun 2006.
Bij besluit van 31 juli 2012 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van appellante gedeeltelijk gegrond verklaard.
Appellante heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 maart 2013, waarbij voor partijen hun gemachtigden zijn verschenen.

Overwegingen

1.
Met haar Gecombineerde Opgave 2011 heeft appellante uitbetaling van haar toeslagrechten aangevraagd. Zij heeft 26 gewaspercelen met een totale oppervlakte van 51.40 ha opgegeven. Bij het primaire besluit heeft verweerder de bedrijfstoeslag vastgesteld op € 18.596,72. Verweerder heeft daarbij 1.73 ha van de door appellante opgegeven percelen afgekeurd en een sanctie (extra korting) toegepast. In het bestreden besluit is de afgekeurde oppervlakte lager vastgesteld, de bedrijfstoeslag verhoogd naar € 20.156,75 en de extra korting vervallen.
2.1
Appellante stelt dat verweerder de oppervlakte van de percelen 1en 2 te klein heeft vastgesteld. Appellante beroept zich in dat verband op een GPS-meting.
2.2
Verweerder heeft de subsidiabele oppervlakte van appellantes percelen vastgesteld na een administratieve controle als bedoeld in artikel 28 van Pro Verordening (EG) nr. 1122/2009. Deze vaststelling heeft plaatsgevonden door de door appellante opgegeven oppervlakte te vergelijken met de referentiepercelen en de luchtfoto van 2011. De GPS-meting van de percelen 1 en 2 heeft verweerder ingetekend op de luchtfoto 2011 en vergeleken met zijn eigen meting. Daarbij is te zien dat in de GPS-meting niet subsidiabele oppervlaktes, namelijk van een weg aan de zuidzijde van perceel 1 en een hoek en een weg op perceel 2, zijn meegenomen.
3.1
Tussen partijen is alleen (nog) in geschil of verweerder de subsidiabele oppervlakte van de percelen 1 en 2 te klein heeft vastgesteld.
3.2
Verweerder heeft de subsidiabele oppervlakte van de in geschil zijnde percelen vastgesteld aan de hand van de luchtfoto 2011. Daar tegenover staat de GPS-meting waarin, zoals het College ter zitting aan de hand van de door verweerder meegebrachte foto’s heeft kunnen vaststellen, ook niet subsidiabele elementen (wegen en andere verharding) zijn ingemeten. Die GPS-meting roept zodoende onvoldoende twijfel op aan de juistheid van verweerders oppervlaktebepaling. Het College houdt daarom de oppervlaktebepaling door verweerder voor juist.
4.
Het beroep is daarom ongegrond.
5.
Voor een proceskostenveroordeling ziet het College geen aanleiding.

Beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.C. Stam, in aanwezigheid van mr. C.M. Leliveld, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 14 juni 2013.
w.g. R.C. Stam w.g. C.M. Leliveld