Verzoekster, houder van een chauffeurskaart, kreeg deze op 26 augustus 2013 door de minister van Infrastructuur en Milieu ingetrokken met ingang van 29 augustus 2013. Tegen dit besluit maakte verzoekster bezwaar en vroeg de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening.
De minister gaf bij brief van 13 september 2013 aan dat er geen reden meer was aan de betrouwbaarheid van verzoekster te twijfelen en verzocht het primaire besluit te schorsen totdat op het bezwaar was beslist. De voorzieningenrechter achtte het verzoek kennelijk gegrond en besloot het primaire besluit te schorsen, waardoor verzoekster haar chauffeurskaart voorlopig weer mocht gebruiken.
Daarnaast veroordeelde de voorzieningenrechter de minister tot vergoeding van het betaalde griffierecht en de proceskosten van verzoekster. De uitspraak werd gedaan op 17 september 2013 door mr. E. Dijt in aanwezigheid van mr. P.H. Broier, griffier.