ECLI:NL:CBB:2013:144
College van Beroep voor het bedrijfsleven
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening tegen intrekking chauffeurskaart taxichauffeur
Verzoeker, een taxichauffeur, had zijn chauffeurskaart ingetrokken gekregen door de Minister van Infrastructuur en Milieu omdat hij niet binnen de gestelde termijn een nieuwe Verklaring Omtrent het Gedrag (VOG) had overgelegd. Verzoeker maakte bezwaar en vroeg om een voorlopige voorziening om de intrekking te schorsen, omdat hij zijn baan en inkomen zou verliezen en het vinden van een nieuwe baan gezien zijn leeftijd en arbeidsmarktpositie moeilijk zou zijn.
De voorzieningenrechter oordeelde dat het ontbreken van een geldige VOG een wettelijke grond is voor intrekking van de chauffeurskaart en dat het belang van de veiligheid en het welzijn van passagiers zwaarder weegt dan het belang van verzoeker om zijn beroep te kunnen uitoefenen. Verzoekers persoonlijke omstandigheden, zoals zijn leeftijd en arbeidsverleden, werden niet als bijzondere omstandigheden aangemerkt die intrekking zouden moeten voorkomen.
Daarnaast werd het argument van verzoeker dat er sinds zijn indiensttreding geen nieuwe strafbare feiten waren bijgekomen, verworpen omdat de nieuwe VOG-aanvraag een langere terugkijktermijn kent en meerdere strafbare feiten uit het verleden aan het licht zijn gekomen. Gezien deze feiten was er onvoldoende vooruitzicht dat verzoeker een nieuwe VOG zou verkrijgen. Daarom werd het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen de intrekking van de chauffeurskaart wordt afgewezen.