Het College acht het ter zitting ingenomen en toegelichte standpunt van verweerder dat niet het vertrouwen bestaat dat SPIN als IPC-penvoerder de begeleiding van de IPC-deelnemers bij het uitvoeren van hun innovatieplannen en de totstandkoming en begeleiding van de in het plan opgenomen samenwerkingsprojecten naar behoren kan uitvoeren, gerechtvaardigd. Immers, niet kan worden uitgesloten dat de penvoerdersrol wordt aangewend voor eigen gewin, nu alle (drie) bestuurders van SPIN tevens overwegende zeggenschap hebben in een rechtspersoon die tevens deelnemer is in het IPC. Deze constructie is in strijd met de strekking van de Regeling, aangezien zowel uit de definitiebepaling van artikel 4.1 van de Regeling als de toelichting op de Regeling volgt dat de penvoerder niet moet participeren in de plannen en projecten. Daar komt bij dat - in strijd met de Regeling (en de toelichting daarop) - in de samenwerkingsovereenkomsten die SPIN met individuele IPC-deelnemers heeft gesloten een bepaling is opgenomen dat de uitgekeerde subsidie moet worden uitbetaald aan de penvoerder, die vervolgens de deelnemers hun deel uitbetaalt. Uit de toelichting bij artikel 4.2 van de Regeling blijkt dat het vanwege de bijzondere positie van de IPC-penvoerder uitdrukkelijk niet de bedoeling is dat de subsidie aan de penvoerder wordt uitbetaald. Hieraan kan de stelling van SPIN dat de subsidie gezien het statutaire doel van SPIN niet kan worden aangewend voor eigen gewin kan, niet afdoen.
Op grond van het hiervoor overwogene, komt het College tot de conclusie dat de afwijzingsgrond van artikel 4.16, onder e, van de Regeling zich voordoet en dat de aanvraag om subsidie reeds om die reden niet voor inwilliging in aanmerking komt.
2.5 De stelling van SPIN dat verweerder haar in staat had moeten stellen de gebreken te herstellen door bijvoorbeeld alle bestuursleden te vervangen, volgt het College niet.
Nu het penvoerderschap op meerdere onderdelen wordt ingevuld op een wijze die niet voldoet aan, respectievelijk in strijd is met de Regeling, is naar het oordeel van het College is geen sprake van voor herstel vatbare gebreken.
2.6 De omstandigheid dat verweerder voorafgaande aan de definitieve subsidieaanvraag van SPIN niet heeft gewezen op eventuele tekortkomingen in de door SPIN destijds overgelegde conceptplannen kan er niet toe leiden dat de aanvraag om subsidie had moeten worden toegewezen. Het enkele stilzwijgen van verweerder in de aan de aanvraag voorafgaande fase brengt immers niet met zich mee dat SPIN er gerechtvaardigd op mocht vertrouwen dat haar (concept)plannen voldeden aan de voorwaarden voor subsidie in het kader van een IPC.
2.7 Het College overweegt voorts dat uit de gedingstukken is gebleken dat ook niet is voldaan aan de voorwaarde dat de subsidiabele kosten voor collectieve activiteiten, zoals beschreven in de gezamenlijke innovatieplannen, ten minste € 10.000 vermenigvuldigd met het aantal deelnemers bedragen. Derhalve doet ook de afwijzingsgrond uit artikel 4.16, onder d, van de Regeling zich voor.
2.8 Ten aanzien van de in het beroepschrift opgenomen ingebrekestelling wegens het niet tijdig nemen van een beslissing op bezwaar oordeelt het College dat het beroep ook op dit punt ongegrond moet worden verklaard. Ten tijde van de indiening van het beroepschrift was immers al een beslissing op bezwaar genomen en het beroep van SPIN is daartegen gericht.
2.9 Van voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten is geen sprake.