ECLI:NL:CBB:2012:BW4828
College van Beroep voor het bedrijfsleven
- Proceskostenveroordeling
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit heffing hoveniersbedrijven wegens motiveringsgebrek
Appellanten hebben beroep ingesteld tegen besluiten van het Productschap Tuinbouw waarin heffingen werden opgelegd op grond van de Verordening omzetjaar 2006 en de Verordening 2007. De bezwaren tegen deze heffingen werden door verweerder ongegrond verklaard. Appellanten stelden onder meer dat de verplichte aansluiting bij het Productschap Tuinbouw in strijd was met artikel 11 EVRM Pro en dat de heffingen voor 2006 niet tijdig in 2007, maar pas in 2008 waren opgelegd.
Het College oordeelde dat de klacht over de verplichte aansluiting niet slaagt, verwijzend naar eerdere jurisprudentie. Ten aanzien van de opleggingstermijn van de heffing 2006 stelde het College vast dat de Verordening niet voorschrijft dat de heffing in 2007 moet worden opgelegd, maar dat oplegging na afloop van het heffingsjaar is toegestaan. Wel werd geoordeeld dat de motivering van het bestreden besluit inzake de heffing 2006 onvoldoende was, waardoor dit besluit werd vernietigd.
De rechtsgevolgen van het vernietigde besluit blijven in stand omdat verweerder een gewijzigde motivering heeft gegeven die standhoudt. Het beroep tegen de heffing 2007 werd ongegrond verklaard. Verweerder werd veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht aan appellanten.
Uitkomst: Het beroep tegen de heffing 2006 wordt gegrond verklaard en het besluit vernietigd wegens motiveringsgebrek, terwijl het beroep tegen de heffing 2007 ongegrond blijft.