ECLI:NL:CBB:2011:BU9731
College van Beroep voor het bedrijfsleven
- Eerste en enige aanleg
- E.R. Eggeraat
- M. van Duuren
- G.P. Kleijn
- Rechtspraak.nl
Bevestiging doding van verdachte geiten wegens Q-koortsbesmetting
Appellante betwistte dat 966 drachtige lammeren op haar bedrijf terecht als verdacht van Q-koortsbesmetting waren aangemerkt en dat de maatregel tot doding gerechtvaardigd was. Zij stelde dat de lammeren schoon waren geboren, direct van de moeder waren gescheiden en gevaccineerd, waardoor besmetting vrijwel uitgesloten was.
Het College oordeelde dat verweerder voldoende aannemelijk had gemaakt dat de lammeren in de gelegenheid waren geweest besmet te raken met de Q-koortsbacterie. Dit was mede gebaseerd op positieve testresultaten van tankmelkmonsters en de overdraagbaarheid van de bacterie via faeces en urine, vooral bij geboorte en abortus. De stelling van appellante dat de lammeren schoon waren opgevoed, deed hieraan niet af.
Verder was het opleggen van de maatregel tot doding redelijk, gelet op adviezen van het RIVM en het CVI die stelden dat vaccinatie niet volledig voorkomt dat besmette dieren de bacterie uitscheiden en dat een absoluut onderscheid tussen besmette en niet-besmette dieren op gevaccineerde bedrijven niet mogelijk is. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep tegen het besluit tot doding van 966 verdachte lammeren wegens mogelijke Q-koortsbesmetting wordt ongegrond verklaard.