ECLI:NL:CBB:2011:BU5581
College van Beroep voor het bedrijfsleven
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Boeteoplegging bouwfraudeonderzoek: financiële positie en redelijke termijn
Deze zaak betreft een hoger beroep tegen een boetebesluit van de Nederlandse Mededingingsautoriteit (NMa) in het kader van het bouwfraudeonderzoek, waarbij ondernemingen A B.V. en B B.V. een boete werd opgelegd wegens overtreding van artikel 6 Mw Pro en artikel 81 EG Pro.
De kern van het geschil betrof onder meer de niet-ontvankelijkheid van C B.V. en D B.V. in het bezwaarproces, de vraag of de financiële positie van de onderneming en voormalige aandeelhouders boeteverlagend kan werken, en de overschrijding van de redelijke termijn voor besluitvorming.
Het College bevestigde dat C en D geen rechtstreeks belang hadden bij het boetebesluit en dus niet ontvankelijk waren. Verder oordeelde het College dat NMa terecht geen rekening hield met de financiële situatie van C en D, omdat zij niet de overtreder waren. Wel werd geoordeeld dat de overschrijding van de redelijke termijn met bijna 17 maanden een boetevermindering van 15% rechtvaardigde. Het College vernietigde daarom het eerdere besluit over de boetehoogte en stelde de boete vast op €234.168. Tevens werden proceskosten en griffierechten aan appellanten vergoed.
Uitkomst: Boete verlaagd tot €234.168 wegens overschrijding redelijke termijn; bezwaar C en D niet-ontvankelijk verklaard.