ECLI:NL:CBB:2011:BU3239

College van Beroep voor het bedrijfsleven

Datum uitspraak
27 juli 2011
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
AWB 10/378
Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Procedures
  • Eerste en enige aanleg
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toepassing van subsidiabele hectare en blijvend grasland in het kader van GLB-inkomenssteun

In deze zaak heeft het College van Beroep voor het bedrijfsleven op 27 juli 2011 uitspraak gedaan in het geschil tussen appellant A, vertegenwoordigd door R. Scholten, en de Staatssecretaris van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie, vertegenwoordigd door mr. N.H.J. Klomp. Het geschil betreft de toekenning van bedrijfstoeslag voor het jaar 2008, waarbij de oppervlakte van perceel 6 door verweerder niet als subsidiabel werd aangemerkt omdat dit perceel volgens de controleur geen blijvend grasland zou zijn. Appellant had bezwaar gemaakt tegen het besluit van 3 april 2009, waarin de bedrijfstoeslag was vastgesteld, en het bezwaar was ongegrond verklaard bij besluit van 11 maart 2010.

Tijdens de zitting op 23 maart 2011 heeft appellant betoogd dat perceel 6 in 2008 wel degelijk als landbouwgrond in gebruik was, omdat het perceel was beweid door zijn koeien. Verweerder stelde echter dat het perceel slecht onderhouden was, met overwoekering door onkruid, en dat dit niet voldeed aan de eisen voor blijvend grasland zoals gedefinieerd in de relevante Europese verordeningen. Het College heeft de argumenten van appellant beoordeeld, waaronder zijn beroep op het vertrouwensbeginsel, maar oordeelde dat er geen toezegging was gedaan die de subsidiabiliteit van het perceel zou bevestigen.

Het College concludeerde dat verweerder terecht had beslist dat perceel 6 niet in aanmerking kwam voor de uitbetaling van de toeslagrechten, omdat het perceel niet voldeed aan de voorwaarden voor blijvend grasland. Het beroep van appellant werd ongegrond verklaard, en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. Deze uitspraak benadrukt de strikte eisen die gelden voor de subsidiabiliteit van landbouwgrond in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid.

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven
AWB 10/378 27 juli 2011
5101 Regeling GLB-inkomenssteun 2006
Uitspraak in de zaak van:
A, te B, appellant,
gemachtigde: R. Scholten, werkzaam bij Stichting Achmea Rechtsbijstand te Tilburg,
tegen
de Staatssecretaris van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie, verweerder,
gemachtigde: mr. N.H.J. Klomp, werkzaam bij verweerders Dienst Regelingen.
1. Het procesverloop
Bij besluit van 3 april 2009 heeft verweerder de bedrijfstoeslag van appellant voor het jaar 2008 op grond van de Regeling GLB-inkomenssteun 2006 (hierna: de Regeling) vastgesteld.
Bij besluit van 11 maart 2010 heeft verweerder het hiertegen gerichte bezwaar ongegrond verklaard.
Tegen dit besluit heeft appellant bij brief van 19 april 2010, bij het College binnengekomen op dezelfde dag, beroep ingesteld. Appellant heeft vervolgens de gronden van zijn beroep en nadere stukken ingediend.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend en de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd.
Op 23 maart 2011 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgehad, waarbij partijen bij monde van hun gemachtigde hun standpunten hebben toegelicht.
2. De beoordeling van het geschil
2.1 Tussen partijen is in geschil of verweerder terecht heeft beslist dat de oppervlakte van perceel 6 niet in aanmerking komt voor de uitbetaling van appellants toeslagrechten voor het jaar 2008, omdat dit perceel geen blijvend grasland is.
2.2 Op grond van artikel 44, eerste lid, van Verordening (EG) nr. 1782/2003 van de Raad van 29 september 2003 tot vaststelling van gemeenschappelijke voorschriften voor regelingen inzake rechtstreekse steunverlening in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en tot vaststelling van bepaalde steunregelingen voor landbouwers geeft elk toeslagrecht dat gepaard gaat met een subsidiabele hectare recht op de uitbetaling van het in het kader van het toeslagrecht vastgestelde bedrag. Onder subsidiabele hectare wordt ingevolge het tweede lid van dat artikel verstaan welke landbouwgrond ook van het bedrijf in de vorm van bouwland en blijvend grasland met uitzondering van de grond die voor blijvende teelten, als bosgrond of voor niet-landbouwactiviteiten in gebruik is.
In artikel 2, tweede lid, van Verordening (EG) nr. 796/2004 van de Commissie van 21 april 2004 houdende uitvoeringsbepalingen inzake de randvoorwaarden, de modulatie en het geïntegreerd beheers- en controlesysteem waarin is voorzien bij Verordening (EG) nr. 1782/2003 is blijvend grasland gedefinieerd als grond met een natuurlijke of ingezaaide vegetatie van grassen of andere kruidachtige voedergewassen (...).
2.3 In het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van appellant ongegrond verklaard, en hiertoe overwogen dat perceel 6 - dat door appellant in de Gecombineerde opgave 2008 is opgegeven als blijvend grasland - niet voor bedrijfstoeslag in aanmerking komt. Tijdens de controle op 14 augustus 2008 is gebleken dat dit perceel zo slecht was onderhouden dat de controleur niet het hele perceel kon betreden. Volgens de controleur overheerste ten tijde van de controle het onkruid op dit perceel en ontstaat deze situatie alleen indien het perceel niet wordt onderhouden door dit bijvoorbeeld te maaien of te beweiden. Appellant heeft tijdens de controle ook verklaard dat hij het perceel door tijdsgebrek en privéomstandigheden het laatste jaar niet heeft onderhouden. Verweerder stelt zich derhalve op het standpunt dat dit perceel geen blijvend grasland is.
Dat het perceel in 2009 wel in gebruik is geweest als landbouwgrond is niet relevant voor het te beoordelen jaar 2008.
Appellants beroep op het vertrouwensbeginsel slaagt volgens verweerder niet. Verweerder betwist dat het door appellant gestelde gesprek, waarin namens verweerder mededelingen zouden zijn gedaan over het perceel, heeft plaatsgevonden.
In het verweerschrift heeft verweerder nog toegevoegd dat perceel 6 evenmin als bouwland kan worden aangemerkt, aangezien hierop in het betreffende jaar geen teelt van gewassen plaats vond, het perceel niet was braakgelegd of overeenkomstig artikel 5 van Verordening (EG) nr. 1782/2003 in een goede landbouw- en milieuconditie werd gehouden. De oppervlakte van dit perceel is derhalve niet subsidiabel en is terecht afgewezen voor de uitbetaling van appellants toeslagrechten.
2.4 Appellant voert ter onderbouwing van zijn beroep, samengevat, aan dat perceel 6 in 2008 is beweid door zijn koeien en derhalve in gebruik is geweest als landbouwgrond. De begrazing heeft plaatsgevonden in de periode vanaf half april tot en met half mei. Na de genoemde periode is op het naastgelegen perceel maïs gezaaid en kon geen beweiding meer plaatsvinden, omdat het risico op het uitbreken van het vee en schade aan de maïs te groot was. Slechts het bijhouden van het onkruid heeft niet plaatsgevonden op perceel 6. Uit de door appellant overgelegde foto’s blijkt ook dat het gras goed is opgegeten, maar het onkruid nog bestreden of gemaaid moet worden. Dit laatste is gebeurd na het hakselen van de maïs.
Appellant beroept zich tot slot op het vertrouwensbeginsel. Hij mocht erop vertrouwen dat perceel 6 voor de uitbetaling van zijn toeslagrechten in aanmerking kwam gelet op de mededelingen die hierover namens verweerder zijn gedaan. Door grondbewerking verschuift de grens van het naastgelegen maïsperceel richting perceel 6, dat hierdoor kleiner wordt. Het lukte appellant niet om dit bij het invullen van de digitale gecombineerde opgave aan te geven. Een medewerker van Dienst Regelingen heeft hem echter in een telefonisch contact toegezegd dat dit geen probleem was voor de uitbetaling van appellants toeslagrechten, omdat beide percelen in bezit en gebruik zijn van appellant.
2.5.1 Het College overweegt dat voor de vraag of de oppervlakte van perceel 6 in aanmerking kwam voor de uitbetaling van appellants toeslagrechten in 2008 dient te worden beoordeeld of ten tijde van belang op dit perceel sprake was van blijvend grasland als bedoeld in artikel 2, tweede lid, van Verordening (EG) nr. 796/2004.
Naar het oordeel van het College is dit niet het geval. Het College neemt hierbij in aanmerking dat volgens appellant het perceel in de periode vanaf half april tot en met half mei 2008 is beweid door zijn koeien, maar dat hij het perceel niet heeft onderhouden en het onkruid hierop niet heeft bestreden. Pas na het hakselen van de maïs op het naastgelegen perceel heeft appellant het onkruid gemaaid. Niet in geschil is dat het perceel door deze gang van zaken was overwoekerd door hoog onkruid. Dit wordt ook bevestigd door de bevindingen van de AID-inspecteur tijdens de controle op 14 augustus 2008 en de aan het College overgelegde foto’s.
2.5.2 Het College is van oordeel dat verweerder zich onder die omstandigheden terecht op het standpunt heeft gesteld dat op perceel 6 geen sprake was van blijvend grasland en dat de oppervlakte hiervan niet in aanmerking kwam voor de uitbetaling van appellants toeslagrechten in 2008.
2.5.3 Het beroep van appellant op het vertrouwensbeginsel treft geen doel. Wat er ook zij van de mededeling die volgens appellant is gedaan, daarin is in elk geval geen toezegging vervat dat het perceel in kwestie als blijvend grasland subsidiabel was. Het telefoongesprek ging immers alleen over problemen bij het intekenen van het naastgelegen maïsperceel.
2.6 Gelet op het voorgaande dient het beroep ongegrond te worden verklaard. Voor een proceskostenveroordeling ziet het College geen aanleiding.
3. De beslissing
Het College verklaart het beroep ongegrond.
Aldus gewezen door mr. R.C. Stam, mr. C.J. Waterbolk en mr. S.A.C.M. Lavrijssen, in tegenwoordigheid van mr. C.M. Leliveld als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 27 juli 2011.
w.g. R.C. Stam w.g. C.M. Leliveld