3. De beoordeling van het beroep
3.1 Ten aanzien van het te hanteren toetsingskader heeft betrokkene aangevoerd dat slechts toetsing aan hoofdstuk II van de de Verordening Gedrags- en Beroepsregels registeraccountants 1994 (GBR-1994) aan de orde kan zijn. Hij is immers niet opgetreden als (openbaar) accountant in de zin van de GBR-1994, maar hij heeft zijn werkzaamheden verricht als toezichthouder in dienst bij de afdeling Expertisecentrum Handhaving van De Nederlandsche Bank N.V. (hierna: DNB).
Appellanten stellen dat betrokkene zich aan hen kenbaar heeft gemaakt als accountant en ook zijn titel heeft gebruikt bij het opstellen van het rapport van 4 november 2004. Voorts stellen appellanten dat, nu de raad van tucht in het midden heeft gelaten of betrokkene in dit geval al dan niet is opgetreden als openbaar accountant in de zin van GBR-1994, als uitgangspunt heeft te gelden dat betrokkene als openbaar accountant is opgetreden.
Het College overweegt als volgt.
Volgens vaste jurisprudentie van het College (zie bijvoorbeeld de uitspraken van 10 april 2007, AWB 05/663, www. rechtspraak.nl, LJN BA4850, en van 10 juli 2007, AWB 06/247, LJN BB0128) brengt het gebruik van de deskundigenaanduiding RA niet zonder meer mee dat betrokkene als accountant in de zin van artikel 2, eerste lid, GBR-1994 is opgetreden. De door appellanten gewraakte handelingen zijn door betrokkene verricht in het kader van diens functie bij de DNB en bestonden uit onderzoek naar de naleving van de Wet toezicht kredietwezen 1992 (hierna: Wtk 1992). Gelet op deze omstandigheid is het College, nu evenmin sprake is van een situatie als bedoeld in de overige onderdelen van artikel 2 GBR-1994, van oordeel dat betrokkene niet is opgetreden als (openbaar) accountant.
Hieruit volgt dat het handelen van betrokkene alleen dient te worden getoetst aan het voor alle registeraccountants geldende hoofdstuk II van de GBR-1994, in het bijzonder artikel 5, en niet tevens aan de in de hoofdstukken III en IV GBR-1994 opgenomen gedragregels voor registeraccountants die optreden als (openbaar) accountant. Ter beoordeling staat derhalve slechts of betrokkene, bij het opstellen van het rapport van 4 november 2004, de eer van de stand van registeraccountants heeft geschonden als bedoeld in artikel 5 GBR-1994. Daarbij geldt dat, zoals het College in eerdergenoemde uitspraken tot uitdrukking heeft gebracht, aan een rapport, afkomstig van een registeraccountant die niet optreedt als accountant, minder vergaande zorgvuldigheidseisen kunnen worden gesteld dan indien wel sprake was geweest van een optreden als (openbaar) accountant. Voor tuchtrechtelijk ingrijpen is in een dergelijke situatie, waar het gaat om klachten die betrekking hebben op de deugdelijke grondslag van een door de betrokkene uitgebrachte rapportage, in beginsel slechts plaats in geval van grove onzorgvuldigheid.
3.2 Appellanten hebben zeven grieven opgeworpen tegen het oordeel van de raad van tucht. Deze grieven hebben in wezen allen betrekking op de vraag of aan het rapport van betrokkene een deugdelijke grondslag ontbrak. De grieven kunnen, gelet op deze samenhang, gezamenlijk worden behandeld.
Appellanten verwijten betrokkene, samengevat, dat zij naar aanleiding van het door hem opgestelde rapport zijn geconfronteerd met een bijzondere voorziening. Het rapport bevat, in de visie van appellanten, ernstige materiële onjuistheden. Appellanten hebben uitvoerig uiteengezet, zowel bij de raad van tucht als thans in beroep, waarom betrokkene op basis van de ter beschikking gestelde gegevens niet had kunnen oordelen dat de noodzaak tot ingrijpen bestond. Betrokkene heeft voorts ten onrechte geen hoor en wederhoor toegepast; had hij dat wel gedaan dan hadden appellanten voorafgaand aan het uitbrengen van het rapport kunnen aantonen dat de financiële situatie geenszins noopte tot een noodmaatregel.
3.3 Hetgeen appellanten hebben aangevoerd leidt het College niet tot een ander oordeel dan dat van de raad van tucht. De bevindingen en waarderingen in het rapport kunnen mogelijk onderwerp van discussie vormen, maar niet kan worden geoordeeld dat deze zodanig onzorgvuldig en gebrekkig tot stand zijn gekomen dat betrokkene heeft gehandeld in strijd met artikel 5 GBR-1994. Het College volgt daarbij geheel de overwegingen van de raad van tucht en maakt deze tot de zijne. Het College merkt daarbij nog op dat de juistheid van de bevindingen en waarderingen in het rapport ook onderwerp is geweest van de door DNB tegen I B.V. en J B.V. ingeleide procedures tot het treffen van een bijzondere voorziening. In de beschikkingen van de rechtbank Almelo en de rechtbank Zwolle-Lelystad van 18 november 2004 zijn de bezwaren tegen die bevindingen en waarderingen verworpen. De tegen die beschikkingen ingestelde beroepen in cassatie zijn bij arresten van de Hoge Raad van 24 juni 2005 verworpen (www.rechtspraak.nl,
LJN AT6005 en AT 6006).
3.4 Het vorenoverwogene leidt tot de slotsom dat het beroep moet worden verworpen.
3.5 Na te melden beslissing op het beroep berust op Titel II van de Wet op de Registeraccountants, zoals deze luidde tot 1 mei 2009, en op artikel 5 GBR-1994.