ECLI:NL:CBB:2010:BM3395

College van Beroep voor het bedrijfsleven

Datum uitspraak
28 april 2010
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
AWB 08/1030
Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste en enige aanleg
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75 AwbArt. 11 Regeling GLB-inkomenssteun 2006Art. 24 lid 1 Verordening (EG) nr. 795/2004Art. 36 Verordening (EG) nr. 1782/2003
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing bedrijfstoeslag 2007 wegens ontbreken toeslagrechten en tijdige aanvraag

Appellante heeft beroep ingesteld tegen het besluit van de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit waarin haar aanvraag voor bedrijfstoeslag 2007 werd afgewezen. De afwijzing was gebaseerd op het feit dat appellante op de peildatum 15 mei 2007 niet beschikte over toeslagrechten, omdat zij haar aanvraag voor vaststelling van toeslagrechten te laat had ingediend en in de Gecombineerde opgave 2006 niet had aangegeven uitbetaling van toeslagrechten te wensen.

De procedure omvatte het indienen van aanvullende stukken door appellante, een verweerschrift van de minister en een mondelinge behandeling waarbij vertegenwoordigers van beide partijen aanwezig waren. Appellante voerde aan dat zij door een administratieve fout, het niet zetten van een kruisje in de Gecombineerde opgave, onterecht werd uitgesloten van bedrijfstoeslag, wat volgens haar leidde tot rechtsongelijkheid.

Het College oordeelde dat het eerdere besluit tot afwijzing van de aanvraag voor vaststelling van toeslagrechten onherroepelijk is geworden omdat appellante daartegen geen bezwaar heeft gemaakt. Hierdoor kon appellante niet in aanmerking komen voor de coulanceregeling en was het besluit tot afwijzing van de bedrijfstoeslag terecht. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het beroep van appellante tegen de afwijzing van haar aanvraag bedrijfstoeslag 2007 wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven
AWB 08/1030 28 april 2010
5101 Regeling GLB-inkomenssteun 2006
Uitspraak in de zaak van:
A B.V., te B, appellante,
tegen
de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder,
gemachtigde: mr. R. Lamain en drs. M. Star, beiden werkzaam bij verweerders Dienst Regelingen.
1. De procedure
Appellante heeft bij brief van 16 december 2008, bij het College binnengekomen op 19 december 2008, beroep ingesteld tegen een besluit van verweerder van 13 november 2008.
Bij dit besluit heeft verweerder beslist op het bezwaar van appellante tegen een besluit van 27 maart 2008, waarbij verweerder appellante heeft meegedeeld dat haar voor het jaar 2007 geen bedrijfstoeslag op grond van de Regeling GLB-inkomenssteun 2006 (hierna: de Regeling) zal worden toegekend.
Bij brief van 16 januari 2009 heeft appellante aanvullende stukken overgelegd.
Bij brief van 2 april 2009 heeft verweerder een verweerschrift ingediend en de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd.
Op 31 maart 2010 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgehad, waarbij namens appellante C en D zijn verschenen. Verweerder werd ter zitting vertegenwoordigd door zijn gemachtigden.
2. De beoordeling van het geschil
2.1 Bij besluit van 27 maart 2008 heeft verweerder appellante meegedeeld dat aan haar voor het jaar 2007 geen bedrijfstoeslag zal worden toegekend. Bij het bestreden besluit is het bezwaar van appellante tegen dit besluit ongegrond verklaard.
2.2 Appellante heeft samengevat, weergegeven, het volgende tegen het bestreden besluit aangevoerd.
Appellante heeft in 2006 met een op 12 juni 2006 bij verweerder ingediend formulier om vaststelling van haar toeslagrechten verzocht. Deze aanvraag is afgewezen, omdat de aanvraag uiterlijk op 9 juni 2006 (de dag waarop de zogenoemde kortingsperiode eindigde) had moeten worden ingediend. Appellante heeft in de Gecombineerde opgave 2006 per abuis nagelaten een kruisje te zetten in het daarvoor bestemde hokje ter bevestiging dat zij uitbetaling van haar toeslagrechten wenste. Indien appellante in 2006 wel om uitbetaling van haar bedrijfstoeslag zou hebben verzocht, zouden voor haar op grond van de zogenoemde coulanceregeling van artikel 11, vijfde en zesde lid, van de Regeling, ondanks de te late aanvraag vaststelling toeslagrechten, toch toeslagrechten zijn vastgesteld. Bovendien was de indieningstermijn voor de Gecombineerde opgave 2006 opgerekt tot 26 juni 2006.
Appellante meent dat onder deze omstandigheden sprake is van rechtsongelijkheid. Appellante zal nu immers, door het ontbreken van een simpel kruisje in haar Gecombineerde opgave 2006, tot het einde van de GLB-regeling in 2013 geen bedrijfstoeslag kunnen ontvangen, terwijl landbouwers die met de Gecombineerde opgave 2006 bedrijfstoeslag hebben aangevraagd niet gestraft worden voor het niet of te laat aanvragen van toeslagrechten.
2.3 Verweerder heeft de aanvraag vaststelling toeslagrechten van appellante bij besluit van 20 april 2007 afgewezen. Tegen dit besluit heeft appellante geen bezwaar gemaakt. Daarmee is dit besluit onherroepelijk geworden.
In haar op 15 mei 2006 bij verweerder ontvangen Gecombineerde opgave 2006 heeft appellante niet verzocht om uitbetaling van haar toeslagrechten. Daardoor kon appellante niet in aanmerking komen voor de zogenoemde coulanceregeling van artikel 11, vijfde en zesde lid, van de Regeling. De landbouwer kon immers slechts van deze regeling gebruik maken indien hij in de Gecombineerde opgave ondubbelzinnig aangegeven had dat hij uitbetaling van zijn toeslagrechten wenste.
Nu per 15 mei 2007 geen toeslagrechten op naam van appellante stonden geregistreerd, was verweerder gehouden de aanvraag bedrijfstoeslag 2007 af te wijzen.
2.4 Het College overweegt als volgt.
In het kader van het van de productie losgekoppelde stelsel van de bedrijfstoeslagregeling vindt subsidieverstrekking plaats op basis van het aantal en de waarde van de aan de landbouwer toegekende toeslagrechten. Bij besluit van 20 april 2007 heeft verweerder de aanvraag van appellante voor vaststelling van haar toeslagrechten (gewone of uit de nationale reserve) afgewezen. Vast staat dat appellante tegen dit besluit geen rechtsmiddelen heeft aangewend. Dit besluit staat derhalve in rechte vast. In de onderhavige procedure, waarin de afwijzing van de aanvraag van appellante om uitbetaling van toeslagrechten voor het jaar 2007 aan de orde is, staat niet ter beoordeling of verweerder daartoe destijds terecht heeft besloten.
Dit betekent dat verweerder bij het thans bestreden besluit terecht heeft geconstateerd dat appellante op de peildatum 15 mei 2007 niet in het bezit was van toeslagrechten. Verweerder heeft dan ook op grond van de artikelen 36 van Verordening (EG) nr. 1782/2003 en 24, eerste lid, van Verordening (EG) nr. 795/2004 terecht besloten tot afwijzing van de aanvraag van appellante om uitbetaling van bedrijfstoeslag voor het jaar 2007.
2.5 Het voorgaande leidt tot de slotsom dat het beroep van appellante ongegrond dient te worden verklaard. Het College ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling op de voet van artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
3. De beslissing
Het College verklaart het beroep ongegrond.
Aldus gewezen door mr. C.M. Wolters, mr. S.C. Stuldreher en mr. C.J. Waterbolk, in tegenwoordigheid van mr. F.W. du Marchie Sarvaas als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 28 april 2010.
w.g. C.M. Wolters w.g. F.W. du Marchie Sarvaas