ECLI:NL:CBB:2010:BK8183
College van Beroep voor het bedrijfsleven
- Voorlopige voorziening
- R.R. Winter
- Rechtspraak.nl
Afwijzing voorlopige voorziening tegen doding verdachte geiten wegens Q-koortsbesmetting
Verzoeker, een geitenhouder met twee locaties, werd geconfronteerd met besluiten van de Minister van Landbouw die zijn bedrijf besmet verklaarden met de Q-koorts veroorzakende bacterie. Alle geiten op beide locaties werden als verdacht aangemerkt en er werd bevolen tot het doden van alle drachtige en mannelijke geiten.
Verzoeker maakte bezwaar en vroeg om een voorlopige voorziening, stellende dat locatie B onterecht besmet en verdacht was verklaard en dat de maatregelen disproportioneel en bureaucratisch waren. Hij voerde aan dat de geiten op locatie B niet besmet waren en dat hij ongelijk werd behandeld ten opzichte van andere geitenhouders.
De voorzieningenrechter oordeelde dat de besmetverklaring van locatie A op basis van positieve tankmelkonderzoeken terecht was en dat de verdachtverklaring van geiten op locatie B gerechtvaardigd was vanwege de bedrijfsdynamiek en het contact tussen locaties. De veterinaire deskundige bevestigde dat bloedonderzoek niet uitsluit of een dier besmet is.
De rechter nam de belangen van volksgezondheid zwaarwegend mee en vond de maatregelen niet disproportioneel, ondanks de ingrijpende gevolgen voor verzoeker. De grief van ongelijk behandeling faalde omdat het beleid gebaseerd is op systematische monitoring en veterinaire risico-inschattingen.
Daarom werd het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen en de besluiten gehandhaafd.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen de besluiten tot besmet- en verdachtverklaring en doding van geiten wegens Q-koorts wordt afgewezen.