ECLI:NL:CBB:2009:BN5523
College van Beroep voor het bedrijfsleven
- Eerste en enige aanleg
- M.A. van der Ham
- Rechtspraak.nl
Intrekking pluimveerechten wegens ontbreken feitelijke houderij in samenwerkingsverband
Appellant stelde beroep in tegen de intrekking van pluimveerechten die eerder voor zijn bedrijf waren berekend en geregistreerd. De intrekking volgde na een onderzoek door de Algemene Inspectiedienst (AID) waaruit bleek dat appellant zelf geen pluimvee hield, maar dat dit feitelijk door een samenwerkingspartner, E, werd gedaan.
De zaak draaide om de vraag of het samenwerkingsverband tussen appellant en E als één bedrijf kon worden beschouwd en of appellant als houder van het pluimvee kon worden aangemerkt. Het College concludeerde dat het samenwerkingsverband niet was geregistreerd en dat E feitelijk de houder was. Ook was appellant niet transparant geweest over de feitelijke situatie bij de melding aan de overheid.
Het College oordeelde dat het besluit tot toekenning van pluimveerechten nooit formele rechtskracht had gekregen en dat de intrekking met terugwerkende kracht terecht was. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en het vertrouwensbeginsel faalde omdat appellant al vóór de toekenning als verdachte was gehoord en geen juiste informatie had verstrekt.
Uitkomst: Het beroep tegen de intrekking van pluimveerechten wordt ongegrond verklaard omdat appellant niet als feitelijke houder van het pluimvee kan worden aangemerkt.