2.2 Op grond van de stukken en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten
en omstandigheden voor het College komen vast te staan.
- Appellante heeft op 9 mei 2001 een "Aanvraag oppervlakten/Gebruik gewaspercelen, opgave 2001" ingediend. Bij deze aanvraag heeft appellante onder meer voor de door appellante in deze aanvraag nader aangeduide percelen 5, 6 en 10 tot en met 22 verzocht om registratie van in totaal 70.29 ha grasland als voederareaal. Voor de percelen 13, 17 en 18 heeft appellante respectievelijk 22.57, 20.26 en 0.43 ha opgegeven.
- Op 10 en 11 mei 2001 is van het gebied respectievelijk een satellietbeeld en een luchtfoto gemaakt.
- Op 1 augustus 2001 heeft appellante op grond van de Regeling een premieaanvraag ingediend voor het aanhouden van 26 mannelijke runderen.
- Bij brief van 17 december 2001 heeft verweerder appellante meegedeeld dat de door middel van teledetectie vastgestelde oppervlakte van voormelde percelen 5, 6, 13, 14, 17 en 18 kleiner is dan de oppervlakte die appellante voor deze percelen heeft opgegeven en dat dit tot gevolg heeft dat appellante een sanctie wordt opgelegd. Voor de percelen 13, 17 en 18 is respectievelijk 16.00, 13.02 en 0.36 ha gedetecteerd. Verweerder heeft appellante in dezelfde brief in de gelegenheid gesteld aan te tonen dat de gedetecteerde oppervlakte van de betreffende percelen onjuist is.
- Appellante heeft hierop telefonisch en bij brief van 4 januari 2002 gereageerd.
- Bij brief van 24 januari 2002 heeft verweerder op grond van de gedetecteerde oppervlakte aan appellante bericht dat er een verschil van in totaal 13.82 ha is geconstateerd tussen de door appellante aangevraagde oppervlakte voederareaal en de feitelijk geconstateerde oppervlakte. Nu dit verschil meer dan twintig procent van de feitelijk geconstateerde oppervlakte bedraagt, is, gelet op artikel 9, tweede lid, van Verordening (EEG) nr. 3887/92, de voor appellante geregistreerde oppervlakte voederareaal op nihil gesteld.
- Bij besluit van 27 mei 2002 heeft verweerder de premieaanvraag van appellante voor het aanhouden van 26 mannelijke runderen afgewezen, omdat de oppervlakte voederareaal op nihil is gesteld en appellante daardoor onvoldoende ruimte in haar veebezetting had.
- Tegen dit besluit heeft appellante bij brief van 3 juli 2002 bezwaar gemaakt.
- Bij brief van 22 juli 2002 heeft appellante haar bezwaar aangevuld en een meetrapport van Landmeetkundig en Adviesbureau Meet B.V. (hierna: Meet B.V.) overgelegd. Blijkens dit rapport is op 2 juli 2002 een meting verricht, waarbij de totale oppervlakte van de percelen 17 tot en met 22 is berekend op 24.34.70 ha, de oppervlakte “water, dras en riet” is berekend op 3.86.96 ha. Dientengevolge is de “theoretische oppervlakte” vastgesteld op 20.47.74 ha. In de brief van 22 juli 2002 heeft appellante aangegeven dat perceel 13 niet is opgemeten vanwege de hoge meetkosten en dat naar haar bevinding de oppervlakte 22.48.40 ha bedraagt waarvan 3.28 ha voor het afgraven van klei in gebruik is geweest, hetgeen betekent dat een netto oppervlakte van 19.20.11 ha als voederareaal resteerde.
- Op 22 november 2002 is appellante over haar bezwaar gehoord.
- Vervolgens heeft verweerder bij besluit van 8 augustus 2003 appellantes bezwaar ongegrond verklaard.
- Bij uitspraak van 26 januari 2005 heeft het College het Hof van Justitie verzocht bij wijze van prejudiciële beslissing uitspraak te doen over de volgende vragen: