ECLI:NL:CBB:2007:BB8480
College van Beroep voor het bedrijfsleven
- Eerste en enige aanleg
- Rechtspraak.nl
Afwijzing beroep op energie-investeringsaftrek wegens niet tijdige investeringsmelding
Appellante heeft beroep ingesteld tegen het besluit van de Minister van Economische Zaken waarbij een energie-investeringsaftrek (EIA) verklaring deels werd toegekend en deels afgewezen. De kern van het geschil betreft de vraag of appellante tijdig een investeringsverplichting is aangegaan voor de bouw en aanschaf van vijf windturbines en locatierechten, zoals vereist volgens de Uitvoeringsregeling energie-investeringsaftrek 2001.
Appellante stelde dat de investeringsverplichting mondeling was aangegaan in de periode 27 januari 2004 tot 22 april 2004, en dat dit voldoende was voor toekenning van de EIA-verklaring ter hoogte van € 2.594.966. Verweerder betwistte dit en stelde dat de investeringsverplichting niet aannemelijk was gemaakt binnen de vereiste termijn van drie maanden na het aangaan van de verplichting.
Het College oordeelde dat de door appellante overgelegde documenten en verklaringen onvoldoende duidelijkheid boden over het moment en de omvang van de investeringsverplichtingen. De mondelinge afspraken en achteraf gedane verklaringen boden geen voldoende bewijs dat de investeringsverplichting binnen de wettelijke termijn was aangegaan. De koop-/aannemingsovereenkomst was niet schriftelijk vastgelegd en de overgelegde stukken ondersteunden de stelling van appellante niet overtuigend.
Daarom kon verweerder zich redelijkerwijs op het standpunt stellen dat appellante niet had voldaan aan de meldingsvereisten, en was het bestreden besluit terecht. Het beroep werd ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenvergoeding toegekend.
Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard omdat appellante niet aannemelijk heeft gemaakt dat de investeringsverplichting tijdig is aangegaan.