ECLI:NL:CBB:2007:BA1557
College van Beroep voor het bedrijfsleven
- Eerste en enige aanleg
- Rechtspraak.nl
Afwijzing beroep op akkerbouwsubsidie wegens niet-subsidieerbaar perceel blijvend grasland
Appellant heeft beroep ingesteld tegen de afwijzing van zijn aanvraag om akkerbouwsubsidie voor een perceel van 2,91 hectare dat volgens verweerder niet voldoet aan de definitie van akkerland omdat het gedurende de referentieperiode als blijvend grasland is gebruikt.
De zaak draait om de toepassing van Europese verordeningen, met name Verordening (EG) nr. 1782/2003 en uitvoeringsverordening (EG) nr. 796/2004, die bepalen dat alleen subsidiabele grond in aanmerking komt voor steun. Verweerder heeft vastgesteld dat het perceel niet subsidiabel is en heeft de aanvraag afgewezen op grond van artikel 51, lid 2, van Verordening (EG) nr. 796/2004.
Appellant voerde aan dat hij te goeder trouw handelde en dat het perceel was verkregen via een kavelruil van overheidswege, waarbij hij niet wist dat het perceel niet subsidiabel was. Het College oordeelde dat dit geen grond is om de sanctie te vermijden, omdat appellant geen bewijs heeft geleverd dat hem geen schuld treft en hij zich nader had moeten informeren.
Het beroep is daarom ongegrond verklaard. Het College benadrukte dat de dwingende sanctie van artikel 51, lid 2, van Verordening (EG) nr. 796/2004 niet onrechtmatig is, ook niet bij te goeder trouw ingediende aanvragen.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de akkerbouwsubsidie voor perceel 5 wordt ongegrond verklaard.