ECLI:NL:CBB:2006:AX2651
College van Beroep voor het bedrijfsleven
- Eerste en enige aanleg
- Rechtspraak.nl
Beroep tegen terugvordering zoogkoeienpremie wegens niet-naleving vaarzenpercentage
Appellant diende een premieaanvraag in voor 33 zoogkoeien, waaronder zeven vaarzen, maar verweerder stelde vast dat zes van de zeven vaarzen binnen de aanhoudperiode hadden gekalfd zonder vervanging volgens de regels. Hierdoor voldeed appellant niet aan het vereiste om ten minste 15% vaarzen aan te houden gedurende zes maanden. Verweerder corrigeerde de premieaanvraag door twintig zoogkoeien te verwijderen en vorderde een bedrag van €5.680,05 terug.
Appellant voerde aan dat hij niet op de hoogte was van de vervangingsplicht en dat verweerder eerder premies had toegekend zonder terugvordering, waardoor hij op rechtszekerheid mocht vertrouwen. Tevens stelde appellant dat de terugvordering disproportioneel was vanwege de verstrekkende gevolgen voor zijn bedrijf.
Het College oordeelde dat appellant zich had moeten informeren over de voorwaarden en dat de Europese verordening duidelijk de vervangingsregels en het vaarzenpercentage voorschreef. De fout van verweerder bij eerdere premietoekenning deed niet af aan de verplichting tot terugvordering binnen twaalf maanden. Nationale beginselen konden niet afwijken van de Europese verplichting. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep tegen de terugvordering van zoogkoeienpremie wordt ongegrond verklaard en het terugvorderingsbesluit blijft in stand.