ECLI:NL:CBB:2005:AU3640
College van Beroep voor het bedrijfsleven
- Eerste en enige aanleg
- Rechtspraak.nl
Beoordeling rechtmatigheid preventieve ruiming pluimvee bij uitbraak aviaire influenza
Appellante, een pluimveehouder, maakte bezwaar tegen de verdachtverklaring en het besluit tot het doden van haar dieren op grond van de Gezondheids- en Welzijnswet voor dieren (Gwd) vanwege een uitbraak van aviaire influenza (AI) in haar regio. Verweerder had op 25 maart 2003 alle AI-gevoelige dieren in de bufferzone Wageningen, waar het bedrijf van appellante lag, als verdacht aangemerkt en maatregelen genomen waaronder het ruimen van deze dieren.
Appellante betoogde dat de verdachtverklaring onterecht was, dat de ruiming neerkwam op onteigening, dat de schriftelijke bekendmaking te laat was en dat de ruiming in strijd was met Europees recht. Tevens stelde zij dat sprake was van rechtsongelijkheid omdat hobbypluimvee later werd gespaard terwijl haar dieren buiten de 3 kilometerzone wel werden geruimd.
Het College oordeelde dat verweerder in redelijkheid tot de verdachtverklaring kon komen gezien de snelle verspreiding en besmettelijkheid van AI, de pluimveedichtheid en contacten in het gebied. De bufferzone was zorgvuldig vastgesteld met inachtneming van natuurlijke barrières. De preventieve ruiming was noodzakelijk en rechtmatig. De late schriftelijke bekendmaking tastte de rechtmatigheid niet aan. De ruiming was ook niet in strijd met Europese regelgeving, die minimumnormen stelt en nationale aanvullende maatregelen toestaat. Rechtsongelijkheid was niet aan de orde omdat de veterinaire noodzaak op het moment van ruiming bij appellante wel bestond.
Het beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Er werden geen proceskosten toegewezen.
Uitkomst: Het beroep tegen de verdachtverklaring en preventieve ruiming van pluimvee wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.