ECLI:NL:CBB:2005:AU3267
College van Beroep voor het bedrijfsleven
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging boete wegens onvergund bemiddelen in effecten volgens Wet toezicht effectenverkeer 1995
Appellante, een cliëntenremisier, werd door de AFM een bestuurlijke boete van €87.125,- opgelegd wegens overtreding van artikel 7, eerste lid, van de Wet toezicht effectenverkeer 1995 (Wte). Zij bemiddelde in financiële producten van H en I zonder de vereiste vergunning. De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond en stelde dat de producten als effecten kwalificeren.
In hoger beroep voerde appellante aan dat de producten geen effecten zijn en dat de boete onevenredig hoog is, mede omdat zij te goeder trouw handelde en geen opzet had tot overtreding. Het College overwoog dat de producten, gelet op kenmerken zoals nominale inleg, rendement en terugbetaling, wel degelijk effecten zijn volgens artikel 1 Wte Pro. De boete is een punitieve sanctie en moet proportioneel zijn aan ernst en verwijtbaarheid.
Het College stelde vast dat AFM redelijk handelde en dat appellante geen omstandigheden had aangevoerd die matiging van de boete rechtvaardigen. De eerdere uitspraken van het College en de toelichting bij de wet ondersteunen de hoogte van de boete. Ook het beroep op het gelijkheidsbeginsel faalde vanwege niet vergelijkbare gevallen. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep van appellante wordt ongegrond verklaard en de boete van €87.125,- bevestigd.