2. De grondslag van het geschil
Op grond van de stukken en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak, voorzover hier van belang, de volgende feiten en omstandigheden voor het College komen vast te staan.
- In de periode van december 1986 tot en met december 1987 heeft appellante meermalen aangifte ten uitvoer gedaan van hoeveelheden pluimveedelen, met bestemming derde-landen. Op de desbetreffende EXL-formulieren heeft appellante de uitgevoerde goederen aangeduid als vallende onder post 02.02 B II e)3 (dijen en delen daarvan, van ander pluimvee) van het Gemeenschappelijk Douane Tarief en verzocht om toekenning van de bij deze post behorende restituties bij uitvoer.
- Verweerder is aanvankelijk overeenkomstig de verzoeken van appellante tot uitkering van de restitutie overgegaan.
- Verweerder heeft voorts de uitvoeren, verantwoord op de EXL-formulieren 551693, 551694 en 551825, afgeschreven op het op naam van appellante gestelde voorfixatiecertificaat, genummerd B 052510 en de daarvoor door appellante gestorte waarborg ten bedrage van fl. 14.878,28 vrijgegeven.
- Bij besluit van 1 maart 1990 heeft verweerder evenwel een bedrag van fl. 970.950,98 van appellante teruggevorderd alsmede voormeld bedrag van fl. 14.878,28 bij appellante ingevorderd, omdat (een deel van) de uitgevoerde pluimvee-producten (kippenpoten met een deel van de rug) op onjuiste wijze in de restitutie-nomenclatuur zouden zijn ingedeeld. Volgens verweerder hadden deze producten niet onder post 02.02 B II e)3 moeten worden ingedeeld, maar onder restpost 02.02 B II ex g ('andere').
- Bij besluit van 13 december 1990 heeft verweerder het bezwaar van appellante, gericht tegen het besluit van 1 maart 1990 ongegrond verklaard.
- Tegen het besluit van 13 december 1990 heeft appellante bij het College beroep ingesteld.
- Bij uitspraak van 22 november 1991 (nr. 91/0130/008/013) heeft het College dit beroep, voorzover gericht tegen voormelde terugvordering, verworpen. Daarbij is geoordeeld dat poten met een deel van de rug niet onder het begrip 'dijen' in de zin van post 02.02 B II e)3 vallen. Het College overwoog dienaangaande:
"De lijst van pluimveeprodukten, bij uitvoer waarvan restitutie wordt toegekend - de onderscheidene ten tijde van de betrokken exporten toepasselijke restitutieverordeningen van de Commissie voor de sector slachtpluimvee bevatten een zodanige lijst als bijlage - , is zodanig geredigeerd dat produkten, vallende onder bepaalde onderverdelingen van post 02.02.BII van het GDT, in aanmerking kunnen worden gebracht voor toekenning van een restitutie. De laatste onderverdeling van deze post heeft het opschrift "andere" en heeft de functie van sluitpost, in die zin dat pluimveedelen met been, die niet onder één van de overige, al dan niet restitutiewaardige, onderverdelingen van deze post vallen, daarin moeten worden ingedeeld.
Onder de overige onderverdelingen van de post dienen derhalve uitsluitend pluimveedelen te worden gebracht, die voldoen aan de daarin neergelegde nauwkeurige omschrijving. Het vorenstaande laat volgens het College geen andere gevolgtrekking toe, dan dat de door verzoekster aangegeven pluimveedelen vanwege de aanwezigheid van een stuk rug (zonder staart) niet voldoen aan de omschrijving van de post, waaronder verzoekster deze delen ten uitvoer heeft aangegeven. Deze delen dienen onder de sluitpost te worden ingedeeld.
Uit de overwegingen van het arrest van het Hof van Justitie in voormelde zaak Ekro/PVV blijkt dat regel 3-b van de Algemene Bepalingen alleen van toepassing werd geacht op de indeling in het kader van de specifieke nomenclatuur van de Verordening (EEG) nr. 2787/81, omdat in dat geval, op grond van de bewoordingen van de aangegeven tariefpost waarin onder meer de woorden "met uitzondering van de vang" voorkwamen, ondanks de aanwezigheid van een sluitpost, gerede twijfel mogelijk was over het antwoord op de vraag of de in die zaak in het geding zijnde delen rundvlees, met daaraan een deel van de "vang", moesten worden ingedeeld onder de aangegeven tariefpost dan wel de sluitpost. Een zodanige omstandigheid doet zich hier, gelet op de redactie van de onderhavige tariefpostonderverdelingen - waarin de rug als apart bestanddeel niet wordt genoemd en de aanwezigheid van een deel van de rug dan ook geen gerede twijfel kan doen rijzen - evenwel niet voor. Het voormelde arrest van het Hof heeft dus geen betekenis voor deze zaak.
Gelet op het vorenstaande lijdt het naar het oordeel van het College geen twijfel dat de betrokken onderdelen van het GDT aldus moeten worden uitgelegd en toegepast, dat de in geding zijnde ten uitvoer aangegeven goederen moeten worden ingedeeld, zoals verweerder heeft gedaan. Daaruit volgt dat verweerder de restitutie destijds ten onrechte heeft toegekend."