ECLI:NL:CBB:2004:AP0046

College van Beroep voor het bedrijfsleven

Datum uitspraak
24 maart 2004
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
AWB 03/220
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste en enige aanleg
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1 Regeling EG-steunverlening akkerbouwgewassenArt. 3 Regeling EG-steunverlening akkerbouwgewassenArt. 8:75 Awb
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing subsidieaanvraag akkerbouwgewassen wegens ontbrekende gebruikersverklaring

Appellante heeft een subsidieaanvraag ingediend voor akkerbouwgewassen, waarbij zij niet voor alle percelen een grondgebruikersverklaring op haar naam kon overleggen. Verweerder wees de aanvraag af en verklaarde het bezwaar ongegrond omdat appellante niet kon aantonen de rechtmatige producente van de percelen te zijn.

Het College oordeelt dat verweerder terecht de subsidieaanvraag heeft afgewezen. De gebruikersverklaring stond op naam van een derde, C, die als gebruiksgerechtigde geldt. Appellante kon niet aantonen dat zij zelf de producente was, waardoor zij niet in aanmerking komt voor subsidie volgens de Regeling EG-steunverlening akkerbouwgewassen.

Het beroep op het vertrouwensbeginsel faalt omdat geen toezeggingen zijn gedaan waarop appellante een gerechtvaardigd vertrouwen kon baseren. Het beroep wordt daarom ongegrond verklaard en er worden geen proceskosten toegekend.

Uitkomst: Het beroep van appellante tegen de afwijzing van haar subsidieaanvraag wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven
No. AWB 03/220 24 maart 2004
5135 EG-steunverlening akkerbouwgewassen
Uitspraak in de zaak van:
A, te X, appellante,
gemachtigde: B, te X,
tegen
de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder,
gemachtigde: mr. M.M.F. Lobles, werkzaam bij Laser.
1. De procedure
Bij besluit van 10 februari 2002 heeft verweerder de Aanvraag oppervlakten/ Gebruik gewaspercelen Opgave 2001 van appellante afgewezen, omdat zij geen percelen heeft opgegeven voor een akkerbouwsubsidie.
Bij besluit van 5 september 2002 heeft verweerder het hiertegen gerichte bezwaar ongegrond verklaard.
Tegen dit besluit heeft appellante bij ongedateerde brief, ter post bezorgd op 17 oktober 2002 en binnengekomen bij verweerder op 18 oktober 2002 en na doorzending door verweerder bij het College binnengekomen op 13 februari 2003, beroep ingesteld.
Bij brief van 6 juni 2003 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 december 2003. Bij die gelegenheid hebben partijen hun standpunten nader toegelicht.
2. De beoordeling van het geschil
2.1 Appellante heeft ten behoeve van haar aanvraag voor een aantal percelen een grondgebruikersverklaring overgelegd, die op naam staat van C.
In de beslissing op bezwaar, waarbij verweerder de afwijzing van de aanvraag heeft gehandhaafd, is overwogen dat, nu appellante heeft nagelaten voor enkele percelen een op haar naam gestelde grondgebruikersverklaring over te leggen, zij niet heeft aangetoond dat zij de producente is van die percelen.
2.2 Het College is van oordeel dat verweerder terecht en op goede gronden de weigering om subsidie te verlenen in bezwaar heeft gehandhaafd. Vast staat immers dat de gebruikersverklaring op naam staat van C. Zij is dan ook de gebruiksgerechtigde van de desbetreffende percelen. Appellante heeft derhalve niet aangetoond dat zij zelf producente is ten aanzien van de aangevraagde percelen. Ten gevolge hiervan komt appellante, gelet op het bepaalde in de artikelen 1 en 3 van de Regeling EG-steunverlening akkerbouwgewassen, niet in aanmerking voor subsidie voor deze percelen.
Het beroep van appellante op het vertrouwensbeginsel faalt, reeds omdat, gelet op de omstandigheid dat appellante ter onderbouwing van dit beroep uitsluitend verwijst naar antwoorden op door haar gestelde vragen van mevrouw D terwijl de verklaring van mevrouw D luidt dat zij nooit zo maar antwoorden als beweerd pleegt te geven, niet is gebleken dat zijdens verweerder toezeggingen zijn gedaan, waaraan appellante het gerechtvaardigde vertrouwen kon ontlenen dat haar aanvraag voor inwilliging in aanmerking zou komen.
2.3 Gelet op het vorenoverwogene, dient het beroep van appellante ongegrond te worden verklaard.
Het College acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling met toepassing van artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
3. De beslissing
Het College verklaart het beroep ongegrond.
Aldus gewezen door mr. D. Roemers, mr. M.J. Kuiper en mr. E.J.M. Heijs, in tegenwoordigheid van mr. L. van Duuren, als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 24 maart 2004.
w.g. D. Roemers w.g. L. van Duuren