ECLI:NL:CBB:2004:AO2300
College van Beroep voor het bedrijfsleven
- Eerste en enige aanleg
- M.A. van der Ham
- Rechtspraak.nl
Afwijzing beroep op hardheidsgeval 1 bij pluimveerechten wegens late milieuvergunningaanvraag
Appellant, exploitant van een pluimveehouderij, stelde beroep in tegen een besluit van de Minister van Landbouw waarin zijn verzoek om toepassing van hardheidsgeval 1 onder de Meststoffenwet werd afgewezen. Dit hardheidsgeval biedt een uitzondering voor pluimveehouders die tussen 1994 en 1998 onomkeerbare investeringsverplichtingen zijn aangegaan met het oog op uitbreiding, mits zij tijdig een milieuvergunning en bouwvergunning hebben aangevraagd.
Appellant voerde aan dat hij vóór 6 november 1998 aanzienlijke investeringen had gedaan en dat hij niet tijdig een milieuvergunning had aangevraagd omdat die met medeweten van de gemeente later werd ingediend. Hij betoogde dat zijn situatie gelijkgesteld moest worden aan hardheidsgeval 1 en dat hij onevenredig zwaar werd getroffen door de afwijzing.
Het College stelde vast dat appellant geen milieuvergunningaanvraag had ingediend binnen de wettelijke termijn van 1 januari 1994 tot en met 5 november 1998. De aanvraag vond pas plaats op 25 januari 1999. De wetgever heeft bewust gekozen voor strikte, duidelijke criteria om rechtszekerheid te waarborgen, waarbij alleen tijdige vergunningaanvragen als bewijs van onomkeerbare investeringen gelden.
Het College oordeelde dat appellant niet gelijkgesteld kon worden met pluimveehouders die wel tijdig vergunningen hadden aangevraagd en dat de minister terecht het beroep ongegrond had verklaard. De situatie van appellant was niet zodanig dat deze door de wetgever over het hoofd was gezien, zodat geen ruimte was voor afwijking van de wettelijke regels. Het beroep werd daarom afgewezen.
Uitkomst: Het beroep van appellant wordt ongegrond verklaard wegens het ontbreken van een tijdige milieuvergunningaanvraag.