ECLI:NL:CBB:2003:AN8956
College van Beroep voor het bedrijfsleven
- Proceskostenveroordeling
- D. Roemers
- M.A. van der Ham
- C.J. Borman
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit landbouwheffing wegens onterechte aansprakelijkheid douaneschuldenaar
Op 22 januari 1997 diende appellante beroep in tegen een besluit van 14 januari 1997 waarin zij werd aangesproken voor betaling van landbouwheffing over melkpoeder dat aan het douanetoezicht zou zijn onttrokken. Verweerder baseerde de aansprakelijkheid primair op artikel 203 CDW Pro, dat echter geen terugwerkende kracht heeft voor de in 1993 ontstane douaneschuld. Daarnaast werd verwezen naar artikel 4 van Pro Verordening (EEG) nr. 1031/88 en artikel 5b van de In- en uitvoerwet.
Uit het onderzoek bleek dat appellante grote hoeveelheden melkpoeder van onbekende leveranciers had gekocht tegen ongewone voorwaarden en prijzen, en dat zij afspraken had gemaakt over vervoer en aflevering. Verweerder stelde dat appellante als toedoener kon worden aangemerkt omdat zij redelijkerwijs had moeten weten dat de heffingen niet waren voldaan.
Het College oordeelde echter dat appellante niet degene was door wiens toedoen de heffing niet of niet volledig was opgelegd, zoals vereist in artikel 5b van de In- en uitvoerwet. De feitelijke onttrekking aan het douanetoezicht was veroorzaakt door een andere partij (H). Daarom werd het bestreden besluit vernietigd en de uitnodiging tot betaling op nihil gesteld.
Het College veroordeelde verweerder tevens tot vergoeding van de proceskosten van appellante. Hiermee werd de aansprakelijkheid van appellante voor de landbouwheffing afgewezen wegens het ontbreken van voldoende toedoen en de onjuiste toepassing van het CDW.
Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en de aanschrijving tot betaling van landbouwheffing wordt op nihil gesteld wegens het ontbreken van toedoen van appellante.