5. De beoordeling van het geschil
5.1 Zoals het College overwoog in de door appellante gereleveerde zaak onder nrs.
AWB 00/500 en 00/501 kan, als de satellietopname aannemelijk maakt dat een bepaald perceel niet aan de definitie akkerland voldoet, slechts concreet en overtuigend tegenbewijs ertoe leiden dat hieraan voorbij kan worden gegaan. Daarbij zal de aannemelijkheid van de uit de satellietopnames getrokken conclusies moeten worden afgewogen tegen de kracht van het door de aanvrager ter beschikking gestelde bewijsmateriaal, waarbij geen vorm van bewijsmateriaal op voorhand kan worden uitgesloten. Voorts is het College met verweerder van oordeel dat het bewijs van een ander gebruik dan uit de satellietopnamen wordt afgeleid in beginsel alleen per perceel geleverd kan worden.
5.2 Zodanig tegenbewijs heeft appellante gesteld niet te kunnen leveren met betrekking tot perceel 18.
5.3 Met betrekking tot de aangrenzende percelen 15 en 17 heeft appellante gesteld dat deze geheel voldoen aan de definitie akkerland. Hiertoe heeft zij onder meer aangevoerd dat op het perceel van F in 1991 aardappels werden geteeld, waarna weer grasland werd ingezaaid. Op een deel van een topografische kaart heeft appellante vervolgens aangegeven welk deel van de percelen 15 en 17 toebehoorde aan F. Vergelijking tussen deze door verzoeker overgelegde kaart en de kaart waarop D van Georas heeft aangegeven welke gedeelten van de percelen 15 en 17 voldoen, leert dat verweerder van deze percelen slechts het gedeelte dat toebehoorde aan F niet heeft aangemerkt als akkerland. Tot dit gedeelte is derhalve het conflict tussen partijen met betrekking tot de percelen 15 en 17 beperkt.
Verweerder heeft ter zitting het voldoende gedeelte van perceel 15 gesteld op 2.67 ha, zonder hiervoor bij het bestreden besluit - en overigens ook niet ter zitting - een grondslag te geven. Het ligt op de weg van verweerder feiten te vergaren, die ten grondslag kunnen liggen aan een berekening van de oppervlakte van bedoeld deel van perceel 15 en om deze grondslag inzichtelijk te maken. Zulks klemt te meer als niet aanstonds duidelijk is welk gedeelte van een perceel in de visie van verweerder niet voldoet aan de definitie akkerland.
Evenmin heeft verweerder blijk gegeven zich voldoende rekenschap te hebben gegeven van de bewijspositie van appellante nadat dertien jaren waren verstreken. Verweerder heeft immers niet aan het bestreden besluit alle satellietbeelden uit het jaar 1991 waarover zij beschikte ten grondslag gelegd, terwijl satellietbeelden uit september en oktober 1991
blijkens mededeling ter zitting wel hadden kunnen bijdragen en mogelijk hebben bijgedragen aan het bestreden besluit. Aldus heeft verweerder in ieder geval onvoldoende kenbaar gemaakt waarop hij het bestreden besluit grondde.
Hier komt nog bij dat verweerder niet de op het besluit betrekkelijke stukken, zijnde de tussentijdse satellietbeelden uit 1991, heeft overgelegd en het College aldus de mogelijkheid heeft onthouden zijn mededeling met betrekking tot deze satellietopnames te controleren.
De conclusie van het College is dat verweerder het bestreden besluit in ieder geval niet met de vereiste zorgvuldigheid heeft voorbereid en gemotiveerd.
5.4 De slotsom is dat het beroep gegrond dient te worden verklaard, en dat het bestreden besluit moet worden vernietigd. Verweerder dient opnieuw op het bezwaar te beslissen met inachtneming van deze uitspraak.
Het College acht termen aanwezig voor nadere beslissingen als hierna in het dictum van deze uitspraak vermeld. Daarbij is het bedrag van de proceskosten, die door verweerder aan appellante is te vergoeden, vastgesteld overeenkomstig het tarief in de bijlage bij het Besluit proceskosten bestuursrecht onder toekenning van 1 punt voor indiening van het beroepschrift, bijgestaan door H. te Klooster van Countus accountants + adviseurs b.v., en met inbegrip van de reiskosten van gemachtigde C, berekend op basis van openbaar vervoer ( trein tweede klas) over het traject X - Den Haag.