2.2 Bij de beoordeling van het verzoek om voorlopige voorziening gaat de president uit van de volgende feiten en omstandigheden.
- Op 28 april 1999 is aan de dg-Nma een voornemen gemeld over te gaan tot een concentratie, bestaande uit PNEM/MEGA Groep N.V. (hierna: PNEM/MEGA) en N.V. EDON Groep (hierna: EDON). De aandeelhouders van PNEM/MEGA en EDON zouden, in ruil voor de door hen gehouden aandelen, aandelen verkrijgen in de tot stand te brengen fusievennootschap.
- Bij besluit van 15 juni 1999 heeft de dg-Nma besloten dat voor die concentratie een vergunning is vereist.
- Op 15 juli 1999 heeft de dg-Nma de aanvraag van PNEM/MEGA en EDON om een vergunning voor het tot stand brengen van een concentratie ontvangen.
- Na ontvangst van de aanvraag heeft de dg-Nma, in aansluiting op de meldingsfase, ter zake nader onderzoek doen verrichten.
- Op 18 augustus 1999 heeft de dg-Nma PNEM/MEGA en EDON verzocht om aanvullende informatie, welke de dg-Nma op 26 augustus 1999 heeft ontvangen.
- Op 17 september 1999 heeft de dg-Nma de Punten van overweging, inhoudende zijn voorlopige bevindingen, aan PNEM/MEGA en EDON gezonden.
- Bij brief van 30 september 1999 hebben PNEM/MEGA en EDON hun zienswijzen naar aanleiding van de Punten van overweging naar voren gebracht.
- Vervolgens hebben PNEM/MEGA en EDON zogenoemde remedies voorgesteld.
- Bij besluit van 20 oktober 1999 - gerectificeerd bij brief van 21 oktober 1999 - heeft de dg-Nma aan PNEM/MEGA en EDON een vergunning verleend voor het tot stand brengen van een concentratie, aan welke vergunning de dg-Nma voorschriften en beperkingen heeft verbonden, omdat naar zijn oordeel als gevolg van het in ongewijzigde vorm tot stand brengen van de voorgenomen concentratie op de Nederlandse markt voor compostering van GFT-afval een economische machtspositie zou ontstaan, die tot gevolg zou hebben dat een daadwerkelijke mededinging op de Nederlandse markt of een deel daarvan op significante wijze zou worden belemmerd.
- Tegen dit besluit hebben PNEM/MEGA en EDON bij brief van 30 november 1999, aangevuld bij brief van 27 januari 2000, beroep ingesteld. Zij hebben hun beroep beperkt tot de mededingingsrechtelijke beoordeling van de gevolgen van de voorgenomen concentratie op de Nederlandse markt voor compostering van GFT-afval.
- Op 3 december 1999 hebben PNEM/MEGA en EDON de concentratie tot stand gebracht, als gevolg waarvan de fusievennootschap Essent N.V. (hierna: Essent) is ontstaan.
- Bij faxbericht van 18 april 2001 hebben PNEM/MEGA en EDON hun beroep gedeeltelijk ingetrokken.
- Bij uitspraak van 21 juni 2001, verzonden op 4 juli 2001, heeft de arrondissements-rechtbank te Rotterdam (hierna: de rechtbank) het tegen het besluit van 20 oktober 1999, zoals gerectificeerd bij brief van 21 oktober 1999, ingestelde beroep ongegrond verklaard.
- Bij brief van 2 augustus 2001, door het College ontvangen op 3 augustus 2001, hebben PNEM/MEGA en EDON hiertegen hoger beroep ingesteld.
- Bij brief van 29 augustus 2001 hebben zij de dg-Nma verzocht de aan de vergunning verbonden voorschriften en zogenoemde verbintenissen voorzover die betrekking hebben op de vervreemding van het belang in X4 op te schorten totdat het College uitspraak zal hebben gedaan in hoger beroep
- Bij brief van 26 september 2001 heeft de dg-Nma dat verzoek afgewezen.
- Bij brief van 4 oktober 2001, ingekomen op 8 oktober 2001, hebben zij de President van het College verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.