ECLI:NL:CBB:2001:AB9886
College van Beroep voor het bedrijfsleven
- Voorlopige voorziening
- R.R. Winter
- Rechtspraak.nl
Afwijzing voorlopige voorziening wegens schadevergoeding na sluiting veemarkten
Verzoeker, een veehandelaar, vordert schadevergoeding van de Minister van Landbouw vanwege de sluiting van Nederlandse veemarkten in het kader van bestrijding van mond- en klauwzeer. Verweerder wijst het verzoek af, stellende dat de schade niet onder de vergoedingsregeling van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren valt, aangezien de sluiting is gebaseerd op artikel 18 van Pro de Wet en niet op artikel 17 of Pro 21, waarop de schadevergoedingsregeling ziet.
Verzoeker betoogt dat de maatregelen feitelijk onder artikel 17 vallen Pro en dat hij onevenredige schade lijdt die niet tot het normale bedrijfsrisico behoort, en beroept zich op het gelijkheidsbeginsel en het beginsel van evenredige belangenafweging. Hij stelt dat het plotselinge verbod niet voorzienbaar was en dat hij daardoor in financiële nood verkeert.
De president oordeelt dat verzoeker geen aanspraak kan maken op vergoeding op grond van de Wet of andere voorschriften. De maatregelen zijn terecht gebaseerd op artikel 18 en Pro niet op artikel 17. Daarnaast is onvoldoende aannemelijk gemaakt dat sprake is van een onherstelbare situatie of spoedeisend belang. De veemarkt in Leeuwarden zal binnenkort weer openen, waardoor de financiële situatie van verzoeker naar verwachting zal verbeteren.
Daarom wordt het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen. Tevens wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd. Het beroep tegen het besluit tot schadevergoeding kan worden voortgezet bij het College.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wegens schadevergoeding na sluiting van veemarkten wordt afgewezen.