ECLI:NL:RVS:2026:986

Raad van State

Datum uitspraak
24 februari 2026
Publicatiedatum
23 februari 2026
Zaaknummer
BRS.26.000772
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbArt. 8:83 AwbDublinverordening
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing voorlopige voorziening tegen niet in behandeling nemen asielaanvraag

Verzoeker heeft bij de minister van Asiel en Migratie een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Deze aanvraag is bij besluit van 16 december 2025 niet in behandeling genomen. Verzoeker heeft hiertegen beroep ingesteld bij de rechtbank Den Haag, die dit beroep op 10 februari 2026 ongegrond verklaarde. Vervolgens heeft verzoeker hoger beroep ingesteld bij de Raad van State en tegelijkertijd een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend.

De voorzieningenrechter heeft het verzoek om een voorlopige voorziening beoordeeld. Verzoeker wilde voorkomen dat hij zou worden overgedragen aan Kroatië voordat op het hoger beroep was beslist en vroeg om opvang en verstrekkingen. De voorzieningenrechter heeft dit verzoek afgewezen, omdat de verantwoordelijkheid voor de behandeling van het asielverzoek volgens de Dublinverordening bij Kroatië ligt.

De overdracht aan Kroatië leidt niet tot onomkeerbare gevolgen, aangezien verzoeker in geval van een definitieve beslissing dat Nederland verantwoordelijk is, vanuit Kroatië kan worden teruggeleid. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden. De uitspraak is gedaan op 24 februari 2026 door mr. J.H. van Breda, voorzieningenrechter.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen de overdracht aan Kroatië en het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag is afgewezen.

Uitspraak

BRS.26.000772
Datum uitspraak: 24 februari 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht), met toepassing van artikel 8:83, derde lid, van die wet, hangende het hoger beroep van:
[verzoeker],
verzoeker,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 10 februari 2026 in zaak nr. NL25.61813 in het geding tussen:
verzoeker
en
de minister van Asiel en Migratie.
Procesverloop
Bij besluit van 16 december 2025 heeft de minister een aanvraag van verzoeker om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet in behandeling genomen.
Bij uitspraak van 10 februari 2026 heeft de rechtbank het daartegen door verzoeker ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft verzoeker hoger beroep ingesteld. Ook heeft hij de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
Overwegingen
1.        Verzoeker heeft de voorzieningenrechter verzocht de voorlopige voorziening te treffen dat hij niet wordt overgedragen voordat op het hoger beroep is beslist en dat hij opvang en verstrekkingen krijgt.
2.        Gelet op de belangen die de minister en verzoeker naar voren hebben gebracht, treft de voorzieningenrechter geen voorlopige voorziening. Daarbij betrekt de voorzieningenrechter dat de verantwoordelijkheid van Kroatië voor de behandeling van het verzoek om internationale bescherming is vastgesteld op grond van de Dublinverordening. De overdracht van verzoeker aan Kroatië heeft verder geen onomkeerbare gevolgen. Mocht uiteindelijk blijken dat Nederland verantwoordelijk moet worden geacht voor de behandeling van het verzoek om internationale bescherming, dan kan verzoeker vanuit Kroatië worden teruggeleid naar Nederland.
3.        Het verzoek wordt afgewezen. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
wijst het verzoek af.
Aldus vastgesteld door mr. J.H. van Breda, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. J. van de Kolk, griffier.
w.g. Van Breda
voorzieningenrechter
w.g. Van de Kolk
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 24 februari 2026
347-1161