ECLI:NL:RVS:2026:957

Raad van State

Datum uitspraak
23 februari 2026
Publicatiedatum
19 februari 2026
Zaaknummer
BRS.26.000159
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • H.G. Sevenster
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 84 Vw 2000Art. 96 Vw 2000
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Onbevoegdheid Raad van State bij hoger beroep tegen voortzetting bewaring vreemdeling

Appellant is bij besluit van 26 augustus 2025 door de minister van Asiel en Migratie in bewaring gesteld. De rechtbank Den Haag heeft op 8 januari 2026 het beroep van appellant tegen deze bewaring ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Appellant stelde hiertegen hoger beroep in bij de Raad van State.

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State oordeelt dat het hoger beroep tegen de voortzetting van de bewaring niet ontvankelijk is, omdat artikel 84 van Pro de Vreemdelingenwet 2000 het hoger beroep tegen deze maatregel uitsluit. Alleen indien sprake zou zijn van een schending van het recht op een eerlijk proces zou het verbod op hoger beroep doorbroken kunnen worden, maar dat is hier niet het geval.

Daarom verklaart de Afdeling zich onbevoegd om van het hoger beroep kennis te nemen en wijst zij het verzoek om proceskostenvergoeding af. De uitspraak is gedaan door de enkelvoudige kamer op 23 februari 2026.

Uitkomst: De Raad van State verklaart zich onbevoegd kennis te nemen van het hoger beroep tegen de voortzetting van de bewaring.

Uitspraak

BRS.26.000159
Datum uitspraak: 23 februari 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
[appellant],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Rotterdam, van 8 januari 2026 in zaak nr. NL25.63683 in het geding tussen:
appellant
en
de minister van Asiel en Migratie.
Procesverloop
Bij besluit van 26 augustus 2025 heeft de minister appellant in bewaring gesteld.
Bij uitspraak van 8 januari 2026 heeft de rechtbank het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
Tegen deze uitspraak heeft appellant, vertegenwoordigd door mr. D. Matadien, advocaat in Rotterdam, hoger beroep ingesteld.
Overwegingen
1.        De uitspraak van de rechtbank gaat over het voortduren van de maatregel van bewaring (artikel 96 van Pro de Vw 2000). Hiertegen kan geen hoger beroep worden ingesteld (artikel 84, aanhef en onder a, van de Vw 2000).
1.1.        Wat appellant in hoger beroep aanvoert, is geen reden om het hoger beroep toch in behandeling te nemen. Het verbod op hoger beroep kan alleen worden doorbroken als er geen eerlijk proces is geweest. Dit doet zich hier niet voor.
2.        De Afdeling is onbevoegd van het hoger beroep kennis te nemen. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
verklaart zich onbevoegd om van het hoger beroep kennis te nemen.
Aldus vastgesteld door mr. H.G. Sevenster, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. S. Nederhoff, griffier.
w.g. Sevenster
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Nederhoff
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 23 februari 2026
918-1085