ECLI:NL:RVS:2026:948

Raad van State

Datum uitspraak
19 februari 2026
Publicatiedatum
19 februari 2026
Zaaknummer
202503950/1/V3
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 91 Vw 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging bewaring vreemdeling met het oog op uitzetting na hoger beroep

Appellant werd bij besluit van 19 juni 2025 door de minister van Asiel en Migratie in bewaring gesteld met het oog op uitzetting. Appellant stelde hiertegen beroep in bij de rechtbank Den Haag, die op 3 juli 2025 het beroep ongegrond verklaarde en het verzoek om schadevergoeding afwees.

Appellant ging in hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. De Afdeling overwoog dat het hoger beroep geen nieuwe rechtsvragen bevat die van belang zijn voor rechtseenheid, rechtsontwikkeling of algemene rechtsbescherming, mede omdat de rechtsvraag reeds recentelijk was beantwoord in een uitspraak van 12 februari 2026 (ECLI:NL:RVS:2026:329) over de gevolgen van het arrest Adrar voor bewaring met het oog op uitzetting.

De Afdeling zag geen aanleiding om het besluit tot bewaring onrechtmatig te achten en verklaarde het hoger beroep ongegrond. De uitspraak van de rechtbank werd bevestigd en de minister werd niet veroordeeld tot vergoeding van proceskosten.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de bewaring wordt bevestigd.

Uitspraak

202503950/1/V3.
Datum uitspraak: 19 februari 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
[appellant],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Middelburg, van 3 juli 2025 in zaak nr. NL25.27303 in het geding tussen:
appellant
en
de minister van Asiel en Migratie.
Procesverloop
Bij besluit van 19 juni 2025 heeft de minister appellant in bewaring gesteld.
Bij uitspraak van 3 juli 2025 heeft de rechtbank het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
Tegen deze uitspraak heeft appellant, vertegenwoordigd door mr. R.C. van den Berg, advocaat in Tilburg, hoger beroep ingesteld.
Op verzoek van de Afdeling hebben de minister en appellant schriftelijk gereageerd op het arrest van het Hof van Justitie van 4 september 2025, Adrar, ECLI:EU:C:2025:647.
Overwegingen
1.       Het hoger beroep leidt niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat het hogerberoepschrift geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000).
1.1.    Het hoger beroep gaat namelijk onder meer over een rechtsvraag die eerder door de Afdeling is beantwoord (uitspraak van 12 februari 2026, ECLI:NL:RVS:2026:329, onder 11 tot en met 11.2, over de gevolgen van het arrest Adrar voor een maatregel van bewaring met het oog op uitzetting). Het hoger beroep biedt geen reden hierover in dit geval anders te oordelen.
2.       De Afdeling ziet ook ambtshalve geen reden om de bewaring onrechtmatig te achten. Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. J.H. van Breda, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A.M. van Meurs-Heuvel, griffier.
w.g. Van Breda
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Van Meurs-Heuvel
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 19 februari 2026
47-1111