ECLI:NL:RVS:2026:943
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging van niet-ontvankelijkheid en ongegrondverklaring beroep tegen verlengingsbesluiten overdrachtstermijn
Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag waarin het beroep tegen het eerste verlengingsbesluit niet-ontvankelijk werd verklaard en het beroep tegen het tweede verlengingsbesluit ongegrond werd verklaard. De minister had de appellant bij brieven van 18 november 2025 en 6 januari 2026 geïnformeerd over de verlenging van de overdrachtstermijn met twaalf maanden.
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft het hoger beroep behandeld en geoordeeld dat de rechtbank terecht en op goede gronden tot haar oordeel is gekomen. De motivering van de rechtbank wordt overgenomen en het hoger beroep wordt ongegrond verklaard omdat het hogerberoepschrift geen vragen bevat die van belang zijn voor rechtseenheid, rechtsontwikkeling of rechtsbescherming.
De Afdeling bevestigt daarmee de uitspraak van de rechtbank en wijst het hoger beroep af. De minister is niet gehouden tot vergoeding van proceskosten. De uitspraak is gedaan door de enkelvoudige kamer van de Afdeling bestuursrechtspraak op 20 februari 2026.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.