ECLI:NL:RVS:2026:919

Raad van State

Datum uitspraak
18 februari 2026
Publicatiedatum
18 februari 2026
Zaaknummer
202402126/1/R1
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4.6 Invoeringswet OmgevingswetWet ruimtelijke ordeningCrisis- en herstelwetOnteigeningswetWet geluidhinder
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen vaststelling uitwerkingsplan De Draai 2023 ongegrond verklaard

Het college van burgemeester en wethouders van Dijk en Waard stelde op 30 januari 2024 het uitwerkingsplan 'Uitwerkingsplan 1 De Draai 2023' vast voor een nieuwbouwplan achter de Beukenlaan 17 in Heerhugowaard. Dit plan bouwt voort op het bestemmingsplan 'De Draai 2019' en voorziet in een stedenbouwkundige invulling van het deelgebied De Draai.

De appellanten, eigenaren van een perceel binnen het plangebied, voerden bezwaar aan tegen de bestemmingen in het uitwerkingsplan, met name vanwege de toekenning van bestemmingen 'Verkeer' en 'Tuin' naast 'Wonen', wat volgens hen de flexibiliteit en grondprijs negatief beïnvloedt. Zij stelden dat alleen een woonbestemming met vrije kavels passend was.

De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat het uitwerkingsplan voldoet aan de uitwerkingsregels van het moederplan en dat de gekozen plansystematiek ruimtelijk verantwoord is. Het college heeft voldoende gemotiveerd waarom het stedenbouwkundig belang zwaarder weegt dan het financiële belang van de appellanten. Ook het gelijkheidsbeginsel werd niet geschonden, omdat de situatie van het perceel niet vergelijkbaar is met andere projecten in De Draai.

Verder wees de Afdeling erop dat de gemeente een onteigeningsbesluit heeft genomen en dat appellanten bij onteigening adequaat schadeloos worden gesteld. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en het college hoefde geen proceskosten te vergoeden.

Uitkomst: Het beroep tegen het uitwerkingsplan is ongegrond verklaard en het plan is rechtmatig vastgesteld.

Uitspraak

202402126/1/R1.
Datum uitspraak: 18 februari 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak in het geding tussen:
[appellant A], wonend te [woonplaats], en [appellant B], wonend te [woonplaats],
appellanten,
en
het college van burgemeester en wethouders van Dijk en Waard,
verweerder.
Procesverloop
Bij besluit van 30 januari 2024 heeft het college het uitwerkingsplan "Uitwerkingsplan 1 De Draai 2023" vastgesteld.
Tegen dit besluit hebben [appellanten] beroep ingesteld.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
[appellanten] hebben nadere stukken ingediend.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 1 december 2025, waar [appellanten] en het college, vertegenwoordigd door A.R. Breetveld-Quispel en J. Vijn, zijn verschenen.
Overwegingen
Overgangsrecht inwerkingtreding Omgevingswet
1.       Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Op grond van artikel 4.6, derde lid, van de Invoeringswet Omgevingswet blijft op een beroep tegen een besluit tot vaststelling van een uitwerkingsplan waarvan het ontwerp vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet ter inzage is gelegd het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het uitwerkingsplan onherroepelijk is.
2.       Het ontwerpplan is op 8 juli 2023 ter inzage gelegd. Dat betekent dat op deze beroepsprocedure het recht, waaronder de Wet ruimtelijke ordening (hierna: Wro) en de Crisis- en herstelwet (hierna: Chw), zoals dat gold vóór 1 januari 2024 van toepassing blijft.
Inleiding
3.       Het uitwerkingsplan heeft betrekking op een te ontwikkelen nieuwbouwplan op gronden globaal gelegen achter de Beukenlaan 17 in Heerhugowaard. Het uitwerkingsplan is gebaseerd op de bestemming "Wonen - Uit te werken" van het bestemmingsplan "De Draai 2019" (hierna: het moederplan), dat de raad van de toenmalige gemeente Heerhugowaard op 17 december 2019 heeft vastgesteld. Volgens de plantoelichting van het uitwerkingsplan is een uitwerking op deze gronden noodzakelijk om de gewenste stedenbouwkundige invulling van het deelgebied van De Draai, waar deze gronden deel van uitmaken, af te ronden.
[appellanten] zijn beiden eigenaar van het perceel kadastraal bekend gemeente Heerhugowaard, sectie P, nr. 2455. Het perceel heeft een totale oppervlakte van 3.495 m² (hierna: het perceel). Het plangebied van het uitwerkingsplan betreft de gronden van dit perceel. [appellanten] kunnen zich niet verenigen met de aan hun perceel toegekende bestemmingen, omdat zij vrezen hiervan negatieve financiële gevolgen te ondervinden. Zij hebben daarom beroep tegen het uitwerkingsplan ingesteld.
Toetsingskader uitwerkingsplan
4.       Wanneer in een bestemmingsplan een uitwerkingsplicht is opgenomen, moet het college van burgemeester en wethouders in beginsel een uitwerkingsplan vaststellen. Bij een beroep tegen een uitwerkingsplan kan ter beoordeling staan of dit plan is voorbereid en genomen in strijd met het recht. Onder die beoordeling valt de vraag of de uitgewerkte bestemming strookt met de uitwerkingsregels in het bestemmingsplan en, als die regels daarvoor de ruimte laten, met een goede ruimtelijke ordening. Daarbij geldt de planologische aanvaardbaarheid van de uit te werken bestemming als een gegeven.
5.       De voor deze procedure relevante planregels van dit bestemmingsplan zijn in het wettelijk kader opgenomen in de bijlage. Deze bijlage maakt deel uit van deze uitspraak.
Bespreking beroepsgronden
Indeling plangebied en keuze voor bestemmingen
6.       [appellanten] betogen dat het college bij de vaststelling van het uitwerkingsplan onvoldoende gewicht heeft toegekend aan hun financiële belang.
Zij voeren in dit kader aan dat het uitwerkingsplan op hun perceel, naast de bestemming "Wonen" met bouwvlakken, onder andere voorziet in de bestemmingen "Verkeer" en "Tuin". Zij stellen dat deze plansystematiek leidt tot onvoldoende flexibiliteit voor de ontwikkeling van woningbouw op hun perceel en dat deze wijze van bestemmen van negatieve invloed is op de grondprijs van hun perceel. Zij menen dat het college alleen een woonbestemming met woningbouwmogelijkheden aan de gronden van hun perceel had moeten toekennen, zodat hun perceel als vrije (bouw)kavel kan worden gebruikt. Daarbij wijzen zij erop dat de gemeente al langdurig in bezit is van de omliggende gronden van het perceel en dat het daarom merkwaardig is dat het college uitgerekend op hun perceel de genoemde openbare voorzieningen, zoals de watersloot, een openbare groenvoorziening en een doorgaande weg heeft voorzien en niet op de gronden van de gemeente. Bovendien biedt de gemeente volgens hen voor andere projecten in het deelgebied De Draai, zoals de Hermelijn en de IJsvogel, vrije woonkavels aan.
6.1.    De Afdeling stelt vast dat het uitwerkingsplan voldoet aan de in artikel 16.2 van het moederplan vermelde uitwerkingsregels.
6.2.    De Afdeling overweegt verder dat in paragraaf 2.2 van de plantoelichting bij het uitwerkingsplan een beschrijving is opgenomen van de ontwikkeling waarin het uitwerkingsplan voorziet. Hierin wordt beschreven dat op het perceel van [appellanten] drie vrijstaande woningen en een (deel van een) twee-onder-een-kap woning zijn voorzien. De woningen worden aan de zuidwestzijde begrensd door een sloot. Met deze sloot wordt volgens de plantoelichting in ruimtelijk opzicht de overgang vormgegeven tussen de percelen aan de Beukenlaan en het plangebied De Draai. De keuze om grenzend aan de sloot een verkaveling te maken met vrijstaande woningen en/of twee-onder-een kapwoningen komt voort uit de ontsluiting van deze woningen aan de voorzijde en de mogelijkheid om via het eigen perceel, langs de woning, de achtertuin te bereiken. Dit moet volgens de plantoelichting in ruimtelijk opzicht leiden tot een goede afscheiding. Verder vermeldt de plantoelichting dat aan de noordoostzijde van deze woningen een buurtontsluitingsweg is ingetekend. Aan de overzijde van deze buurtontsluitingsweg is een verkaveling gemaakt met rijwoningen en twee-onder-een-kapwoningen. De gronden van de voor- of zijtuinen van deze woningen liggen deels in het plangebied van het uitwerkingsplan. Niet in geschil is dat bestemmingen die zijn toegekend aan het perceel van [appellanten] voorzien in de hiervoor beschreven inrichting van het perceel. In wat [appellanten] hebben aangevoerd ziet de Afdeling geen aanknopingspunten voor het oordeel dat de gekozen plansystematiek niet in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening.
6.3.    Voor zover [appellanten] betogen dat hun (financiële) belangen onvoldoende bij de besluitvorming zijn betrokken, overweegt de Afdeling het volgende.
Onder verwijzing naar wat hiervoor onder 6.2 is overwogen, overweegt de Afdeling dat in paragraaf 2.2 van de plantoelichting is beschreven waarom gekozen is voor de voorziene plansystematiek met de bestemmingen "Wonen", "Verkeer" en "Tuin". Het college heeft daarbij verder gesteld dat de wijze waarop die bestemmingen aan het plangebied zijn toegekend, in overeenstemming is met wat vanuit het stedenbouwkundig oogpunt met het moederplan is beoogd en daarbij heeft gewezen op artikel 28.2 van de regels van het moederplan. In dat artikel is bepaald dat ten aanzien van de inrichting van het gebied, de integrale ontwerpprincipes van het Masterplan De Draai en het Beeldkwaliteitsplan De Draai als uitgangspunt gelden. Er wordt volgens het college overeenkomstig die ontwerpprincipes in de stedenbouwkundige opzet van De Draai gestreefd naar diversiteit in woningtypen op een zo laag mogelijk schaalniveau, waarbij van belang is dat in het straatbeeld een variatie van woningtypen wordt ervaren. De Afdeling ziet in het aangevoerde geen aanleiding om dit standpunt van het college voor onjuist te houden.
Verder heeft het college in aanvulling op wat in de toelichting bij het uitwerkingsplan over de inrichting van het gekozen plansystemtiek staat, toegelicht dat het perceel binnen het zogeheten bouwveld Zomertalingstraat ligt. Dit bouwveld bestaat volgens het college uit vrijstaande woningen en twee-onder-een-kap woningen, met een sloot aan de achterzijde van de percelen en een verkeersontsluiting voor autoverkeer aan de voorzijde. Het college heeft hierbij erop gewezen dat de inrichting van het plangebied op de omgeving van dit bouwveld aansluit en derhalve niet willekeurig is ingetekend. Zo is onder andere met de verkeersbestemming een ontsluitingsweg met een regime van 30 km/u beoogd, die aansluit op de overige wegenstructuur van de omgeving, en zijn de gronden met een tuinbestemming aan de oostzijde van het plangebied als zodanig bestemd, omdat die gronden aansluiten op gronden waar woningen zijn geprojecteerd en de tuinbestemming deel uitmaakt van de voor die woningen voorziene tuinen.
6.4.    Gelet op wat hiervoor onder 6.2 en 6.3 is overwogen, is de Afdeling van oordeel dat het college toereikend heeft gemotiveerd waarom hij wat betreft de gekozen plansystematiek een zwaarder gewicht heeft mogen toekennen aan het belang bij de stedenbouwkundige opzet van de wijk De Draai dan aan het (financiële) belang bij meer flexibiliteit voor woningbouw op het perceel van [appellanten].
Voor zover [appellanten] stellen dat de gemeente vrije kavels aanbiedt voor andere projecten in het deelgebied De Draai, begrijpt de Afdeling dit standpunt zo dat zij menen dat het uitwerkingsplan wat betreft de inrichting van het plangebied in strijd met het gelijkheidsbeginsel is vastgesteld. De Afdeling ziet echter geen aanleiding om [appellanten] hierin te volgen, omdat zij op geen enkele wijze hebben geconcretiseerd waarom de situatie op hun perceel vanuit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening te beschouwen is als een gelijk geval met de door hen genoemde projecten. Hierbij neemt de Afdeling in aanmerking dat het college erop heeft gewezen dat de IJsvogel en de Hermelijn geen deel uitmaken van het bouwveld Zomertalingstraat waar het perceel van [appellanten] ligt.
[appellanten] hebben voor het overige geen ruimtelijke argumenten genoemd waarom aan hun perceel alleen een woonbestemming met vrije kavels zou moeten worden toegekend. Voor zover [appellanten] hebben gewezen op hun financiële belang bij een zo groot mogelijke verkoopwaarde van hun perceel, overweegt de Afdeling dat door het college is uiteengezet dat de raad van de gemeente Dijk en Waard op 12 juli 2023 een besluit tot onteigening van het perceel van [appellanten] heeft genomen ten behoeve van de uitvoering van het moederplan en het voorliggende uitwerkingsplan en dat de gemeente nog in overleg is met [appellanten] om het perceel te verwerven. Voor zover verwerving van het perceel niet op minnelijke wijze kan plaatsvinden, worden [appellanten] bij een eventuele onteigening op basis van de Onteigeningswet in beginsel volledig schadeloos gesteld. Gelet hierop gaat de Afdeling ervan uit dat aan [appellanten] een adequate financiële tegemoetkoming wordt verstrekt en dat hun financiële belang daarmee voldoende is gewaarborgd.
Het betoog slaagt niet.
7.       Gelet op het voorgaande ziet de Afdeling geen grond voor het oordeel dat het college het uitwerkingsplan niet heeft kunnen vaststellen.
Conclusie
8.       Het beroep is ongegrond.
9.       Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
verklaart het beroep ongegrond.
Aldus vastgesteld door mr. M. Soffers, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. D. Tieleman, griffier.
w.g. Soffers
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Tieleman
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 18 februari 2026
817
BIJLAGE
Bestemmingsplan "De Draai 2019"
Artikel 16 Wonen Pro - Uit te werken
[…]
16.2 Uitwerkingsregels
Burgemeester en wethouders werken de in lid 16.1 omschreven bestemming uit met inachtneming van de volgende regels:
16.2.1 Ten aanzien van wonen
a. Maximaal 30 woningen per hectare zijn toegestaan;
b. maximaal 2.750 wooneenheden zijn binnen de bestemmingen ‘Maatschappelijk’, ‘Wonen’, ‘Wonen - 1’, ‘Wonen - 2’, ‘Woongebied’ en ‘Wonen - Uit te werken’ gezamenlijk toegestaan.
c. Ter plaatse van de op de verbeelding aangegeven ‘specifieke bouwaanduiding - oostdijkzone’ zijn maximaal 20 woningen per hectare toegestaan;
d. Het maximum aantal bouwlagen bedraagt niet meer dan 4.
e. Ter plaatse van de op de verbeelding aangegeven ‘specifieke bouwaanduiding - oostdijkzone’ bedraagt het maximum aantal bouwlagen niet meer dan 3;
f. De hoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde mag niet meer bedragen dan 2,50 meter, met uitzondering van antennes en kunstobjecten waarvan de hoogte niet meer mag bedragen dan 12 meter.
16.2.2 Ten aanzien van verkeersvoorzieningen
a. De hoogte van de gebouwen mag niet meer bedragen dan 2,50 meter;
b. De hoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde zoals masten, bruggen, en kunstobjecten mag niet meer dan 12 meter bedragen.
16.2.3 Ten aanzien van groen-, sport- en speelvoorzieningen
a. De bouwhoogte van gebouwen mag niet meer dan 4 meter bedragen;
b. de hoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, zoals masten, speeltoestellen, kunstobjecten en bruggen mag niet meer dan 12 meter bedragen.
16.2.4 Ten aanzien van water
a. De hoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, zoals masten, bruggen en kunstobjecten mogen niet meer dan 12 meter bedragen.
16.2.5 Ten aanzien van openbare nutsvoorzieningen
a. De oppervlakte van een gebouw mag niet meer bedragen dan 25 m³;
b. De bouwhoogte van gebouwen mag niet meer bedragen dan 3 meter;
c. Bouwwerken, geen gebouwen zijnde zoals masten en kunstobjecten mogen niet meer dan 12 meter bedragen.
16.2.6 Ten aanzien van wegverkeerslawaai
De bouw van geluidgevoelige objecten is uitsluitend toegestaan indien voldaan kan worden aan de in de Wet geluidhinder gestelde norm van 48 dB, dan wel aan de door Burgemeester en Wethouders verleend hogere grenswaarde.
Artikel 28 Overige Pro regels
[…]
Artikel 28.2 Afstemmingsregel
Naast de in het plan opgenomen regels gelden ten aanzien van de inrichting van het gebied, de integrale ontwerpprincipes met betrekking tot landschap, stedenbouw en architectuur van het Masterplan De Draai en het Beeldkwaliteitsplan De Draai, zoals opgenomen in Masterplan De Draai en Beeldkwaliteitsplan De Draai voor zover dit niet betreft het vergunningvrij bouwen.