ECLI:NL:RVS:2026:890
Raad van State
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Voorlopige voorziening tegen uitzetting na afwijzing verblijfsvergunning asiel
Verzoeker heeft een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, welke door de minister van Asiel en Migratie op 12 november 2025 is afgewezen met de verplichting om de Europese Unie binnen vier weken te verlaten.
De rechtbank Den Haag heeft op 28 januari 2026 het beroep van verzoeker gegrond verklaard, het besluit van de minister vernietigd, maar de rechtsgevolgen van het besluit in stand gelaten. Verzoeker heeft hiertegen hoger beroep ingesteld en tegelijkertijd een verzoek om voorlopige voorziening ingediend.
De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft op 19 februari 2026 besloten dat verzoeker niet mag worden uitgezet totdat op het hoger beroep is beslist. Tevens is de minister veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van verzoeker, die geheel toe te rekenen zijn aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Uitkomst: Verzoeker mag niet worden uitgezet totdat op het hoger beroep is beslist en de minister moet proceskosten vergoeden.