ECLI:NL:RVS:2026:87
Raad van State
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Voorlopige voorziening tegen uitzetting in asielprocedure
Verzoeker heeft een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, welke door de minister van Asiel en Migratie op 29 juli 2025 is afgewezen. Verzoeker stelde hiertegen beroep in bij de rechtbank Den Haag, die dit beroep op 5 december 2025 ongegrond verklaarde. Vervolgens stelde verzoeker hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State en verzocht om een voorlopige voorziening.
De voorzieningenrechter heeft op 8 januari 2026 besloten dat verzoeker niet mag worden uitgezet zolang het hoger beroep loopt. Tevens is bepaald dat verzoeker opvang en verstrekkingen ontvangt gedurende deze periode. De minister is daarnaast veroordeeld tot het vergoeden van de proceskosten van verzoeker, een bedrag van € 934,00, toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Deze voorlopige voorziening is getroffen op grond van artikel 8:81 en Pro 8:83 van de Algemene wet bestuursrecht, waarbij de belangen van verzoeker in de asielprocedure zijn meegewogen. De uitspraak waarborgt dat verzoeker niet onherstelbaar wordt benadeeld tijdens de procedure en dat de rechtspositie wordt beschermd totdat het hoger beroep is afgerond.
Uitkomst: Verzoeker wordt niet uitgezet totdat op het hoger beroep is beslist en de minister moet proceskosten vergoeden.