ECLI:NL:RVS:2026:866

Raad van State

Datum uitspraak
18 februari 2026
Publicatiedatum
16 februari 2026
Zaaknummer
BRS.25.002241
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 20 VWEUArt. 91 Vw 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging afwijzing verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd wegens onvoldoende aannemelijkheid identiteit en nationaliteit

Appellant heeft bij besluit van 17 oktober 2023 een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd, welke door de minister van Asiel en Migratie is afgewezen. Appellant maakte bezwaar tegen dit besluit, dat op 3 juni 2025 ongegrond werd verklaard. Vervolgens stelde appellant beroep in bij de rechtbank, die op 6 november 2025 het beroep ongegrond verklaarde.

In hoger beroep klaagt appellant dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat zij niet voldeed aan de vereisten voor afgeleid verblijfsrecht op grond van artikel 20 VWEU Pro, omdat zij haar identiteit en nationaliteit niet aannemelijk zou hebben gemaakt. De Afdeling stelt dat de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat appellant onvoldoende heeft gedaan om haar identiteit en nationaliteit aannemelijk te maken, waarbij niet vereist is dat zij een paspoort overlegt tenzij zij in bewijsnood verkeert.

Het hoger beroep leidt niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank, mede omdat het hogerberoepschrift geen vragen bevat die in het belang van rechtseenheid, rechtsontwikkeling of rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden. De Afdeling verklaart het hoger beroep ongegrond en bevestigt de uitspraak van de rechtbank. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van de verblijfsvergunning wordt bevestigd.

Uitspraak

BRS.25.002241
Datum uitspraak: 18 februari 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
[appellant],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Groningen, van 6 november 2025 in zaak nr. NL25.24876 in het geding tussen:
appellant
en
de minister van Asiel en Migratie.
Procesverloop
Bij besluit van 17 oktober 2023 heeft de minister een aanvraag van appellant om haar een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.
Bij besluit van 3 juni 2025 heeft de minister het daartegen door appellant gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 6 november 2025 heeft de rechtbank het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft appellant, vertegenwoordigd door mr. A.S. Sewman, advocaat in Lemmer, hoger beroep ingesteld.
Overwegingen
1.        In haar eerste grief klaagt appellant tevergeefs over het oordeel van de rechtbank dat de minister terecht heeft vastgesteld dat appellant niet voldoet aan de vereisten voor een van haar dochter afgeleid verblijfsrecht op grond van artikel 20 van Pro het VWEU, omdat appellant haar identiteit en nationaliteit niet aannemelijk heeft gemaakt. Uit de uitspraak van de Afdeling van 30 mei 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2265, onder 5 en 5.3, volgt dat een vreemdeling voor eerdergenoemd verblijfsrecht zijn identiteit en nationaliteit met alle andere middelen dan een geldig document voor grensoverschrijding of een geldig identiteitsbewijs aannemelijk mag maken en dat onduidelijkheid over zijn identiteit en nationaliteit niet automatisch doorslaggevend is voor de uitkomst van de beoordeling. Anders dan appellant aanvoert, heeft de rechtbank niet aangenomen dat zij haar identiteit en nationaliteit met een paspoort had moeten aantonen, tenzij zij in bewijsnood verkeert. De rechtbank heeft verwezen naar haar overweging onder 4.3, waarin staat dat de minister zich volgens de rechtbank terecht op het standpunt heeft gesteld dat appellant onvoldoende heeft gedaan om haar identiteit en nationaliteit aannemelijk te maken. Uit die overweging volgt waarom de minister volgens de rechtbank na de beoordeling van alle relevante omstandigheden van het geval voor de uitkomst van deze beoordeling doorslaggevend heeft mogen achten dat appellant haar identiteit en nationaliteit niet aannemelijk heeft gemaakt. Appellant voert niet aan dat zij haar identiteit en nationaliteit aannemelijk heeft gemaakt of heeft gedaan wat de minister van haar mag verwachten om dat aannemelijk te maken. De eerste grief slaagt niet.
2.        Het hoger beroep leidt ook voor het overige niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat het hogerberoepschrift in zoverre geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000).
3.        Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. B. Meijer, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. H.J. Jongeneel, griffier.
w.g. Meijer
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Jongeneel
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 18 februari 2026
958