ECLI:NL:RVS:2026:835

Raad van State

Datum uitspraak
17 februari 2026
Publicatiedatum
13 februari 2026
Zaaknummer
BRS.25.000138
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 91 Vw 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging vrijheidsontnemende maatregel en afwijzing beroep tegen grensdetentie

De minister van Asiel en Migratie legde op 1 januari 2025 een vrijheidsontnemende maatregel op aan appellant. Appellant stelde beroep in bij de rechtbank Den Haag, die dit beroep op 30 januari 2025 ongegrond verklaarde en het verzoek om schadevergoeding afwees.

Appellant ging in hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. De Afdeling oordeelde dat klachten over het plaatsen in een isoleercel niet via deze procedure kunnen worden behandeld, maar via een aparte klachtprocedure bij het Justitieel Complex Schiphol. Het hoger beroep bevatte geen vragen die van belang zijn voor rechtseenheid, rechtsontwikkeling of rechtsbescherming.

De Afdeling zag geen reden om de grensdetentie onrechtmatig te achten en verklaarde het hoger beroep ongegrond. De uitspraak van de rechtbank werd bevestigd en de minister werd niet verplicht proceskosten te vergoeden.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.

Uitspraak

BRS.25.000138
Datum uitspraak: 17 februari 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
[betrokkene],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 30 januari 2025 in zaak nr. NL25.2282 in het geding tussen:
[betrokkene]
en
de Minister van Asiel en Migratie.
Procesverloop
Bij besluit van 1 januari 2025 heeft de minister appellant een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd.
Bij uitspraak van 30 januari 2025 heeft de rechtbank het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
Tegen deze uitspraak heeft appellant, vertegenwoordigd door mr. R.W.J.L. Loonen, advocaat in Sittard, hoger beroep ingesteld.
Overwegingen
1.        Het hoger beroep leidt niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. Uit de uitspraak van de Afdeling van 25 november 2020, ECLI:NL:RVS:2020:2795, volgt namelijk dat klachten over het plaatsen in een isoleercel gaan over de feitelijke toepassing van het regime. De rechtbank heeft dus terecht overwogen dat daarvoor een andere rechtsgang openstaat, namelijk de klachtprocedure bij het Justitieel Complex Schiphol.
1.1.        Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat het hogerberoepschrift geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000).
2.        De Afdeling ziet ook ambtshalve geen reden om de grensdetentie onrechtmatig te achten. Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. M. Soffers, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. N.A. de Jong, griffier.
w.g. Soffers
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. De Jong
griffier
Uitgesproken in het openbaar op
981