202501095/1/V1.
Datum uitspraak: 13 februari 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
de minister van Asiel en Migratie,
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Groningen, van 4 februari 2025 in zaak nr. NL24.29184 in het geding tussen:
[betrokkene]
en
de minister.
Procesverloop
Bij besluit van 24 juni 2024 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid betrokkene opgedragen om de Europese Unie onmiddellijk te verlaten, een inreisverbod tegen hem uitgevaardigd en hem gesignaleerd in het Schengeninformatiesysteem (SIS).
Bij uitspraak van 4 februari 2025 heeft de rechtbank het daartegen door betrokkene ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de minister een nieuw besluit neemt met inachtneming van de uitspraak.
Tegen deze uitspraak heeft de minister hoger beroep ingesteld.
Overwegingen
Inleiding
1. Betrokkene is geboren op [geboortedatum] 1971 en heeft de Surinaamse nationaliteit. De rechtbank Noord-Holland, zittingsplaats Haarlem, heeft hem bij uitspraak van 26 maart 2024 veroordeeld tot 24 maanden gevangenisstraf voor het invoeren van cocaïne, bestemd voor verdere verspreiding en handel. Naar aanleiding hiervan heeft de minister bij het besluit van 24 juni 2024 voor betrokkene een terugkeerbesluit genomen, een zwaar inreisverbod voor de duur van tien jaren tegen betrokkene uitgevaardigd en hem gesignaleerd in het SIS. De minister heeft hieraan ten grondslag gelegd dat betrokkene een actuele, werkelijke en voldoende ernstige bedreiging vormt voor een fundamenteel belang van de samenleving.
1.1. De rechtbank heeft geoordeeld dat de minister ondeugdelijk heeft gemotiveerd dat betrokkene zo’n bedreiging vormt. Dat het om een opiumdelict gaat en dat een gevangenisstraf van 24 maanden is opgelegd, is volgens de rechtbank niet genoeg. De minister heeft volgens de rechtbank ten onrechte geen kenbare beoordeling gemaakt van het persoonlijke gedrag van betrokkene waarbij zij is ingegaan op de aard en ernst van het strafbare feit en de actualiteit van het gedrag.
Hoger beroep
2. In haar enige grief klaagt de minister terecht over dit oordeel van de rechtbank. De rechtbank heeft namelijk niet onderkend dat de minister wel het persoonlijke gedrag van betrokkene heeft beoordeeld in relatie tot de aard en ernst van het strafbare feit. De minister heeft in dit kader terecht in aanmerking genomen dat betrokkene tijdens de strafzaak slechts deels openheid van zaken heeft gegeven en dat de enkele verklaring van betrokkene dat hij spijt heeft, onvoldoende is. De minister heeft in dit verband ook van belang mogen achten dat het misdrijf recent is en dat betrokkene sinds het plegen van het misdrijf op 25 september 2023 in detentie heeft verbleven, waardoor hij niet heeft laten zien dat hij ook als vrij man zijn leven duurzaam heeft gebeterd. Verder heeft de minister terecht bij haar motivering betrokken dat betrokkene heeft gehandeld in een hoeveelheid cocaïne die bestemd is voor verspreiding en handel, dat handel in cocaïne gepaard gaat met andere vormen van criminaliteit en een gevaar oplevert voor de volksgezondheid en dat de rechtbank Noord-Holland, zittingsplaats Haarlem, betrokkene als ‘first offender’ heeft veroordeeld tot een relatief lange gevangenisstraf. Hiermee is de minister deugdelijk gemotiveerd ingegaan op de aard en ernst van het door betrokkene gepleegde misdrijf en op zijn persoonlijke gedrag. Betrokkene heeft in beroep en in hoger beroep geen aanknopingspunten voor een andersluidend oordeel aangereikt.
2.1. De grief slaagt.
Conclusie
3. Het hoger beroep is gegrond. De Afdeling vernietigt de uitspraak van de rechtbank. Omdat er geen beroepsgronden zijn die de rechtbank niet heeft besproken, is het beroep alsnog ongegrond. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart het hoger beroep gegrond;
II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Groningen, van 4 februari 2025 in zaak nr. NL24.29184;
III. verklaart het beroep ongegrond.
Aldus vastgesteld door mr. H.G. Sevenster, voorzitter, en mr. J.M. Willems en mr. M.J.M. Ristra-Peeters, leden, in tegenwoordigheid van mr. J.J. Schuurman, griffier.
w.g. Sevenster
voorzitter
w.g. Schuurman
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 13 februari 2026
282-1162