ECLI:NL:RVS:2026:791
Raad van State
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing voorlopige voorziening tegen afwijzing machtiging tot voorlopig verblijf
Verzoeker heeft bij besluit van 21 juni 2024 een aanvraag ingediend voor een machtiging tot voorlopig verblijf, welke door de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid is afgewezen. Hiertegen maakte verzoeker bezwaar, dat bij besluit van 13 maart 2025 ongegrond werd verklaard. Vervolgens stelde verzoeker beroep in bij de rechtbank Den Haag, die op 20 januari 2026 het beroep ongegrond verklaarde.
Tegen deze uitspraak is hoger beroep ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Verzoeker verzocht tevens om een voorlopige voorziening te treffen om de afwijzing van de machtiging tot voorlopig verblijf te schorsen gedurende het hoger beroep.
De voorzieningenrechter oordeelt dat niet is gebleken van een spoedeisend belang voor het treffen van een voorlopige voorziening. Daarom wordt het verzoek afgewezen en hoeft de minister geen proceskosten te vergoeden.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen de afwijzing van de machtiging tot voorlopig verblijf wordt afgewezen wegens ontbreken van spoedeisend belang.