ECLI:NL:RVS:2026:780

Raad van State

Datum uitspraak
13 februari 2026
Publicatiedatum
11 februari 2026
Zaaknummer
BRS.26.000452
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbArt. 8:83 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voorlopige voorziening schorsing uitspraak rechtbank inzake verblijfsvergunning asiel

De minister van Asiel en Migratie verleende op 23 oktober 2024 een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd aan betrokkene. Betrokkene verzocht om bestuurlijke heroverweging van een eerder besluit uit 2021, maar dit verzoek werd op 25 maart 2025 afgewezen. De rechtbank Den Haag verklaarde op 13 januari 2026 het beroep van betrokkene gegrond, vernietigde het besluit van de minister en stelde de ingangsdatum van de verblijfsvergunning vast op 18 augustus 2019.

De minister stelde hiertegen hoger beroep in bij de Raad van State en verzocht tevens om een voorlopige voorziening om de uitspraak van de rechtbank te schorsen. De voorzieningenrechter van de Raad van State oordeelde dat de belangen van de minister aanleiding geven om de voorlopige voorziening toe te wijzen, waardoor de situatie van voor de uitspraak van de rechtbank herleeft.

Dit betekent dat de ingangsdatum van de verblijfsvergunning voorlopig blijft op 8 mei 2023 totdat het hoger beroep is beslist. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden. De uitspraak werd gedaan door voorzieningenrechter B. Meijer op 13 februari 2026.

Uitkomst: De uitspraak van de rechtbank wordt geschorst totdat het hoger beroep van de minister is beslist, waardoor de ingangsdatum van de verblijfsvergunning voorlopig blijft op 8 mei 2023.

Uitspraak

BRS.26.000452
Datum uitspraak: 13 februari 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak
van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige
voorziening (artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht), met
toepassing van artikel 8:83, derde lid, van die wet, hangende het hoger beroep van:
de minister van Asiel en Migratie,
verzoeker,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Zwolle, van 13 januari 2026, gerectificeerd bij uitspraak van 16 januari 2026, in zaak nr. NL25.14174 in het geding tussen:
[betrokkene]
en
de minister.
Procesverloop
Bij besluit van 23 oktober 2024 heeft de minister een aanvraag van betrokkene om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, ingewilligd.
Bij besluit van 25 maart 2025 heeft de minister een verzoek van betrokkene om bestuurlijke heroverweging van een besluit van 2 juli 2021, afgewezen.
Bij uitspraak van 13 januari 2026, gerectificeerd bij uitspraak van 16 januari 2026, heeft de rechtbank het daartegen door betrokkene ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd, bepaald dat het verzoek om bestuurlijke heroverweging wordt ingewilligd, de ingangsdatum van de verblijfsvergunning asiel vastgesteld op 18 augustus 2019 en bepaald dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit.
Tegen deze uitspraak heeft de minister hoger beroep ingesteld. Ook heeft zij de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
Betrokkene heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven en incidenteel hoger beroep ingesteld.
Overwegingen
1.        De minister verzoekt de voorzieningenrechter de voorlopige voorziening te treffen dat de uitspraak van de rechtbank wordt geschorst totdat de Afdeling op het door haar ingestelde hoger beroep heeft beslist.
2.        Gelet op de belangen die de minister naar voren heeft gebracht, ziet de voorzieningenrechter aanleiding een voorlopige voorziening te treffen. Daarom herleeft de situatie in rechte van voor de uitspraak van de rechtbank. Dit betekent dat de ingangsdatum van de aan betrokkene verleende verblijfsvergunning asiel 8 mei 2023 blijft totdat de Afdeling op het hoger beroep van de minister heeft beslist.
3.        De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
schorst bij wijze van voorlopige voorziening de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Zwolle, van 13 januari 2026, gerectificeerd bij uitspraak van 16 januari 2026, in zaak nr. NL25.14174, totdat de Afdeling op het door de minister van Asiel en Migratie ingestelde hoger beroep heeft beslist.
Aldus vastgesteld door mr. B. Meijer, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. R.D. Salverda, griffier.
w.g. Meijer
voorzieningenrechter
w.g. Salverda
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 13 februari 2026
992