AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Raad van State bevestigt vernietiging sluitingsbesluit woning wegens onevenredige gevolgen voor medisch kwetsbare bewoner
De burgemeester van Overbetuwe besloot op 4 oktober 2023 de woning aan een locatie in Elst voor één maand te sluiten vanwege drugshandel door een van de bewoners. De politie trof op 27 januari 2023 diverse harddrugs en gerelateerde goederen aan in de woning en bij de verdachte. De burgemeester verklaarde het bezwaar van de bewoners ongegrond, maar de rechtbank Gelderland vernietigde dit besluit op 17 april 2024 vanwege de ernstige medische situatie van een van de bewoners, die lijdt aan PTSS en angstklachten.
De burgemeester ging in hoger beroep tegen deze uitspraak. De Raad van State oordeelde dat de nadelige gevolgen van de sluiting voor de medisch kwetsbare bewoner onevenredig zijn in verhouding tot het doel van de sluiting. De medische situatie was voldoende onderbouwd met verklaringen van de huisarts en psycholoog, ondanks het ontbreken van een medisch specialist. De Raad benadrukte dat de bestuursrechtelijke herstelsanctie niet primair bedoeld is als afschrikking.
De Raad van State verklaarde het hoger beroep ongegrond, bevestigde het vonnis van de rechtbank en bepaalde dat de burgemeester niet mag overgaan tot sluiting van de woning. Tevens werd de burgemeester veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.
Uitkomst: De Raad van State bevestigt dat de burgemeester de woning niet mag sluiten vanwege onevenredige nadelige gevolgen voor een medisch kwetsbare bewoner.
Uitspraak
202402443/1/A3.
Datum uitspraak: 11 februari 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
de burgemeester van Overbetuwe,
appellant,
tegen de uitspraak van voorzieningenrechter van de rechtbank Gelderland (hierna: rechtbank) van 17 april 2024 in zaak nr. 24/1216 en 24/1222 in het geding tussen:
[wederpartij A] en [wederpartij B], beiden wonend in Elst, gemeente Overbetuwe,
en
de burgemeester.
Procesverloop
Bij besluit van 4 oktober 2023 heeft de burgemeester besloten om de woning aan de [locatie] in Elst voor één maand te sluiten.
Bij besluit van 29 januari 2024 heeft de burgemeester het door [wederpartijen] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 17 april 2024 heeft de rechtbank het door [wederpartijen] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 29 januari 2024 vernietigd, het besluit van 4 oktober 2023 herroepen en bepaald dat haar uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit van 29 januari 2024.
Tegen deze uitspraak heeft de burgemeester hoger beroep ingesteld.
[wederpartijen] hebben een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
De Afdeling heeft de zaak op de zitting van 23 december 2025 behandeld, waar de burgemeester, vertegenwoordigd door mr. J.P.S.M. Joeloemsingh en A.P. Tichelaar, en [wederpartij A], bijgestaan door mr. R. Zwiers, advocaat in Malden, zijn verschenen.
Overwegingen
Inleiding
1. [wederpartijen] huren van woningcorporatie Vivare de woning aan de [locatie] in Elst. Naar aanleiding van binnengekomen informatie heeft de politie een onderzoek ingesteld naar drugshandel op straat door [wederpartij A]. Op 27 januari 2023 is hij aangehouden als verdachte van handel in harddrugs, waarbij in totaal acht wikkels met wit poeder zijn aangetroffen, waarvan vier in zijn kleding en vier in zijn auto. Het poeder is indicatief positief getest op cocaïne. Vervolgens heeft de politie op dezelfde dag de woning doorzocht. Daarbij heeft de politie 75 wikkels met wit poeder, 23 gr wit poeder in een sealbag en 32 pillen aangetroffen. Het poeder is later indicatief positief getest op cocaïne en de pillen op MDMA. Daarnaast heeft de politie vijfhonderd ongebruikte harddrugswikkels, een weegschaal met cocaïneresten, € 6.000,00 contant geld, een Breitling horloge, twee stuks illegaal vuurwerk en van diefstal afkomstige roldeurmotoren aangetroffen. De politie heeft de bevindingen vastgelegd in de bestuurlijke rapportage van 6 maart 2023. De burgemeester heeft naar aanleiding hiervan besloten om de woning op grond van artikel 13b van de Opiumwet en overeenkomstig de Beleidsregel bestuurlijke sancties artikel 13b Opiumwet gemeente Overbetuwe 2019 voor een maand te sluiten. Het daartegen door [wederpartijen] gemaakte bezwaar heeft hij ongegrond verklaard. De woning is feitelijk nog niet gesloten geweest.
Wat heeft de rechtbank geoordeeld?
2. De rechtbank heeft geoordeeld dat de sluiting van de woning niet evenwichtig is. De rechtbank concludeerde dat de sluiting ingrijpende gevolgen voor [wederpartij B] heeft. Zij lijdt aan PTSS en heeft angstklachten, waardoor zij amper haar woning uit durft. In het verleden was er sprake van een depressieve stoornis. De klachten zijn dusdanig ernstig dat zij op dagelijkse basis medicatie nodig heeft en begeleiding krijgt vanuit de Regionale Instelling voor Beschermd Wonen (de RIBW). Haar begeleider bezoekt haar wekelijks en heeft meerdere keren per week contact. De rechtbank heeft zich voor haar oordeel gebaseerd op de door [wederpartij B] in beroep ingebrachte verklaring van haar huisarts van 21 februari 2024, de verklaring van haar begeleider van de RIBW van 29 februari 2024 en de verklaringen van haar psycholoog uit 2017 en 2018. Daarnaast heeft haar begeleider van de RIBW tijdens de zitting bij de rechtbank nog een verklaring afgelegd. Gelet op deze verklaringen, in samenhang bezien, is de rechtbank van oordeel dat in dit specifieke geval de nadelige gevolgen van de sluiting onevenredig zijn in verhouding tot het met de sluiting te dienen doel. De rechtbank heeft het beroep daarom gegrond verklaard en bepaald dat de burgemeester de woning niet had mogen sluiten.
Waarom is de burgemeester het niet met de rechtbank eens?
3. De burgemeester betoogt dat de nadelige gevolgen van de sluiting niet onevenredig zijn in verhouding tot het met de sluiting te dienen doel. De rechtbank is volgens de burgemeester ten onrechte tot een ander oordeel gekomen. De medische omstandigheden van [wederpartij B] zijn onvoldoende onderbouwd. Een verklaring van een medisch deskundige ontbreekt. De rechtbank is niet of onvoldoende ingegaan op wat de burgemeester in de beroepsprocedure heeft aangevoerd. Uit wat [wederpartij B] naar voren heeft gebracht, blijkt niet dat zij een binding heeft met specifiek de woning aan de [locatie]. Voor zover de medische omstandigheden wel voldoende onderbouwd zouden zijn, had dit ook niet hoeven leiden tot een ander besluit. De burgemeester verwijst naar de uitspraak van de Afdeling van 20 maart 2024 (ECLI:NL:RVS:2024:1145), onder 8.8. In die uitspraak overwoog de Afdeling dat uit de overgelegde informatie volgde dat de gevolgen van een verhuizing voor een kind met autisme ingrijpend waren, maar dat daaruit niet volgde dat de gevolgen niet zouden kunnen worden opgevangen. Een dergelijke situatie doet zich hier ook voor, aldus de burgemeester.
Beoordeling van het hoger beroep
4. In haar uitspraak van 16 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2922, heeft de Afdeling de uitgangspunten weergegeven waarvan zij zal uitgaan bij haar beoordeling van besluiten op grond van artikel 13b van de Opiumwet. De Afdeling verwijst voor deze uitgangspunten daarom naar die uitspraak en zal deze hanteren bij de beoordeling van het hoger beroep.
Was sluiting van de woning evenwichtig?
5. Bij de beoordeling van de evenwichtigheid moeten de voor bewoners nadelige gevolgen van de sluiting worden afgewogen tegen de doelen die de burgemeester met de sluiting wil bereiken. Deze laatste houden doorgaans verband met de omstandigheden die ertoe hebben geleid dat de burgemeester een sluiting noodzakelijk acht. Een sluiting met zware nadelige gevolgen voor de bewoners is niet per definitie onevenwichtig. Wel dient de burgemeester aan de voor bewoners mogelijk zeer ingrijpende gevolgen van de sluiting van een woning - die een inmenging in het in artikel 8 vanPro het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden neergelegde recht kan vormen - een zwaar gewicht toe te kennen bij beantwoording van de vraag of hij van zijn bevoegdheid gebruikmaakt. Bij de beoordeling van de evenwichtigheid kunnen verschillende omstandigheden van belang zijn, zoals de bijzondere binding van de bewoners met de woning en de gevolgen voor hen van het voor de duur van de sluiting elders moeten verblijven.
5.1. Zoals tijdens de zitting bij de Afdeling met partijen is vastgesteld, gaat het niet om de vraag of [wederpartij B] om medische redenen een bijzondere binding met de woning aan de [locatie] in Elst heeft. Het gaat alleen om het antwoord op de vraag of [wederpartij B] haar medische situatie voldoende heeft onderbouwd en welke gevolgen de sluiting voor haar medische situatie heeft. De burgemeester brengt terecht naar voren dat de begeleider van de RIBW geen medisch deskundige is en dat aan zijn verklaringen daarom minder betekenis toekomt. De huisarts heeft echter verklaard dat [wederpartij B] bekend is met PTSS en angstklachten waarbij ze haar huis amper uit durft en dat zij daarvoor begeleiding heeft vanuit de RIBW. Verder heeft hij verklaard dat zij in het verleden een depressieve stoornis heeft gehad en dat zij voor dit alles dagelijks medicatie gebruikt. De verklaring van de huisarts over haar klachten wordt ondersteund door de verklaringen van haar psycholoog uit 2017 en 2018, waaruit in ieder geval blijkt dat zij destijds ook al kampte met psychische problemen. Hoewel de huisarts geen medisch specialist is, is hij wel een arts en komt daarom betekenis toe aan zijn verklaring. De burgemeester heeft gesteld dat er een kans is dat [wederpartij B] haar klachten simuleert en dat de huisarts onvoldoende kennis heeft om dat vast te stellen, maar de burgemeester heeft niet aannemelijk gemaakt dat er sprake is van simulatie. De verklaring van de huisarts gaat verder weliswaar niet specifiek in op welke gevolgen een mogelijke woningsluiting heeft voor de medische situatie van [wederpartij B], maar daaruit blijkt wel voldoende dat zij psychisch kwetsbaar is en - zoals de rechtbank terecht heeft overwogen - haar draagkracht voor het omgaan met de gevolgen van het tijdelijk moeten verlaten van de woning tijdens de sluiting beperkt is.
De vraag is vervolgens hoe dat zich verhoudt tot de doelen die de burgemeester met de sluiting wil bereiken. Daarvoor is het tijdsverloop tussen enerzijds het constateren van de overtreding en anderzijds het tijdstip waarop de burgemeester ingevolge zijn besluitvorming tot sluiting overgaat van belang. De doorzoeking van de woning waarbij de drugs zijn aangetroffen, vond plaats op 27 januari 2023. De bestuurlijke rapportage van de politie volgde op 6 maart 2023, het primaire besluit dateert van 4 oktober 2023 en het besluit op bezwaar van 29 januari 2024. Met dat laatste besluit heeft de burgemeester besloten om de woning zes weken na verzending van dat besluit feitelijk te sluiten. Er is dus veel tijd verstreken na het constateren van de overtreding. Tijdens de zitting bij de Afdeling heeft de burgemeester te kennen gegeven dat hij bij een gegrond hoger beroep alsnog wil overgaan tot het sluiten van de woning om een signaal aan de buurt af te geven dat hij optreedt tegen drugscriminaliteit. Zoals de Afdeling in haar uitspraak van 16 juli 2025 (ECLI:NL:RVS:2025:2923), onder 7.2, heeft overwogen, is de bestuursrechtelijke herstelsanctie echter niet bedoeld om als afschrikking te dienen of uitsluitend nog om uit te dragen dat de burgemeester handhavend optreedt. In zoverre komt aan de doelen die de burgemeester met de sluiting beoogd te bereiken beperkte betekenis toe. Dit gold ook al ten tijde van het besluit op bezwaar, omdat er op dat moment immers al veel tijd was verstreken sinds het constateren van de overtreding. De verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 20 maart 2024 kan de burgemeester om die reden dan ook niet baten. De rechtbank heeft gelet op het voorgaande terecht overwogen dat de voor [wederpartij B] nadelige gevolgen van de woningsluiting onevenredig zijn in verhouding tot de met het besluit te dienen doelen. De burgemeester had daarom moeten afzien van het sluiten van de woning.
Het betoog slaagt niet.
Conclusie
6. Het hoger beroep is ongegrond. De uitspraak van de rechtbank moet worden bevestigd. Dat betekent dat de burgemeester niet mag overgaan tot het sluiten van de woning.
Proceskosten
7. De burgemeester moet de proceskosten vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. bevestigt de uitspraak van de rechtbank;
II. veroordeelt de burgemeester van Overbetuwe tot vergoeding van bij [wederpartij A] en [wederpartij B] in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.927,81, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;
III. bepaalt dat van de burgemeester van Overbetuwe een griffierecht van € 559,00 wordt geheven.
Aldus vastgesteld door mr. R. Uylenburg, voorzitter, en mr. C.J. Borman en mr. A.J.C. de Moor-van Vugt, leden, in tegenwoordigheid van mr. R.J.A. Meerman, griffier.