ECLI:NL:RVS:2026:73

Raad van State

Datum uitspraak
7 januari 2026
Publicatiedatum
7 januari 2026
Zaaknummer
202500877/1/V2
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep van de minister van Asiel en Migratie tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag inzake verblijfsrecht en ongewenstverklaring van een Poolse gemeenschapsonderdaan

In deze zaak gaat het om het hoger beroep van de minister van Asiel en Migratie tegen een uitspraak van de rechtbank Den Haag, waarin het beroep van betrokkene, een Poolse gemeenschapsonderdaan, gegrond werd verklaard. De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid had op 15 september 2021 het verblijfsrecht van betrokkene beëindigd en haar ongewenst verklaard, omdat haar persoonlijk gedrag een actuele, werkelijke en ernstige bedreiging voor de samenleving zou vormen. Betrokkene was eerder veroordeeld tot negen jaar gevangenisstraf wegens doodslag. De rechtbank oordeelde dat de minister onvoldoende had gemotiveerd dat betrokkene nog steeds een bedreiging vormde en dat de belangen van haar minderjarige zoon onvoldoende waren meegewogen in de belangenafweging. De minister ging in hoger beroep, waarbij zij aanvoerde dat de rechtbank ten onrechte had geoordeeld dat zij niet alle relevante feiten had betrokken. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State oordeelde dat de minister deugdelijk had gemotiveerd dat het gedrag van betrokkene een actuele bedreiging vormde en dat de belangen van de zoon niet onoverkomelijk waren. De uitspraak van de rechtbank werd vernietigd en het beroep tegen het besluit van 20 december 2022 werd ongegrond verklaard. Het besluit van 25 juli 2025 werd vernietigd omdat het zijn grondslag had verloren.

Uitspraak

202500877/1/V2.
Datum uitspraak: 7 januari 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) op het hoger beroep van:
de minister van Asiel en Migratie,
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Middelburg, van 15 januari 2025 in zaak nr. NL23.1028 in het geding tussen:
[betrokkene]
en
de minister.
Procesverloop
Bij besluit van 15 september 2021 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid het verblijfsrecht van betrokkene als gemeenschapsonderdaan beëindigd en haar ongewenst verklaard.
Bij besluit van 20 december 2022 heeft de staatssecretaris het daartegen door betrokkene gemaakte bezwaar opnieuw ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 15 januari 2025 heeft de rechtbank het daartegen door betrokkene ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de minister een nieuw besluit op het gemaakte bezwaar neemt met inachtneming van de uitspraak.
Tegen deze uitspraak heeft de minister hoger beroep ingesteld.
Betrokkene, vertegenwoordigd door mr. N. Vollebergh, advocaat in Breda, heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
Bij besluit van 25 juli 2025 heeft de minister het tegen het besluit van 15 september 2021 gemaakte bezwaar opnieuw ongegrond verklaard.
Tegen dit besluit heeft betrokkene beroepsgronden ingediend.
Betrokkene heeft een nader stuk ingediend.
Overwegingen
Inleiding
1.       Betrokkene heeft de Poolse nationaliteit. De minister heeft haar verblijfsrecht beëindigd en haar ongewenst verklaard, omdat het persoonlijk gedrag van betrokkene een actuele, werkelijke en ernstige bedreiging voor een fundamenteel belang van de samenleving vormt. De rechtbank Den Haag heeft betrokkene op 18 december 2020 veroordeeld wegens doodslag tot een gevangenisstraf van negen jaar. Betrokkene heeft een minderjarige zoon die sinds haar detentie bij zijn vader, die de ex-partner van betrokkene is, verblijft. De ex-partner heeft de Poolse nationaliteit en woont en werkt in Nederland. De zoon van betrokkene heeft ook de Poolse nationaliteit. Betrokkene verblijft nog in detentie.
De rechtbank heeft een eerder besluit op het bezwaar van betrokkene vernietigd bij uitspraak van 11 november 2022, omdat de minister de belangen van de zoon van betrokkene onvoldoende inzichtelijk had betrokken in de belangenafweging in het kader van artikel 8 van het EVRM.
Het hoger beroep gaat over de vraag of de minister deugdelijk heeft gemotiveerd dat het persoonlijk gedrag van betrokkene een actuele bedreiging vormt voor een fundamenteel belang van de samenleving en of zij in het nieuwe besluit van 20 december 2022 wel een deugdelijke belangenafweging heeft verricht.
Hoger beroep van de minister
2.       De eerste grief is gericht tegen het oordeel van de rechtbank dat de minister onvoldoende deugdelijk heeft gemotiveerd dat het persoonlijke gedrag van betrokkene een actuele, werkelijke en ernstige bedreiging vormt voor een fundamenteel belang van de samenleving. Volgens de minister is de rechtbank voorbijgegaan aan aspecten uit de motivering die aannemelijk maken dat betrokkene een onverminderd actueel gevaar voor de openbare orde vormt.
2.1.    Bij de beoordeling of er een werkelijke, actuele en voldoende ernstige bedreiging is die een fundamenteel belang van de samenleving aantast, moet de minister alle feitelijke en juridische gegevens betrekken over de situatie van een vreemdeling in relatie met de door hem gepleegde strafbare feiten, zoals de aard en ernst van die strafbare feiten en het tijdsverloop sinds het plegen daarvan. De minister moet het resultaat van haar onderzoek laten blijken uit de motivering van een besluit. Vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 26 april 2021, ECLI:NL:RVS:2021:877, onder 3. Uit het arrest van het Hof van Justitie van 11 juni 2015, Z. Zh. en I. O., ECLI:EU:C:2015:377, punten 48, 51 en 61, volgt dat de minister bij die beoordeling een zekere beoordelingsruimte heeft. Het is aan de rechtbank om te toetsen of de minister alle relevante feitelijke en juridische gegevens in haar beoordeling heeft betrokken.
2.2.    Wat de minister aanvoert over het gevaar dat betrokkene voor de openbare orde vormt, slaagt. De rechtbank heeft in haar uitspraak van 11 november 2022 overwogen dat de minister zich in het eerste besluit op het bezwaar van betrokkene deugdelijk gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat betrokkene een actuele, werkelijke en voldoende ernstige bedreiging voor een fundamenteel belang van de samenleving vormt. De minister betoogt terecht dat zij in het besluit op bezwaar van 20 december 2022 deugdelijk heeft gemotiveerd dat noch uit de sinds die uitspraak door betrokkene nieuw overgelegde stukken, noch uit tijdsverloop sindsdien, blijkt dat betrokkene inmiddels geen gevaar voor de openbare orde meer vormt. De minister heeft daarbij niet ten onrechte van belang geacht dat uit het reclasseringsadvies van 12 november 2021 blijkt dat betrokkene een ongespecificeerde ziekelijke stoornis in het gebruik van alcohol en cannabis heeft gehad, er aanwijzingen zijn dat zij zich explosief, agressief en prikkelbaar kan gedragen in partnerrelaties en er een periodieke explosieve stoornis bij betrokkene is vastgesteld. De minister heeft dit mogen betrekken bij de beoordeling of betrokkene nog steeds een actuele dreiging vormt, met name omdat de minister uit de stukken heeft mogen concluderen dat de trainingen die betrokkene heeft gevolgd meer algemeen van aard zijn, niet specifiek zijn gericht op haar explosieve, agressieve en prikkelbare gedrag in partnerrelaties en weinig zeggen over haar toekomstige gedrag buiten de beschermde omgeving van de penitentiaire inrichting. De minister voert zodoende terecht aan dat zelfs als het recidiverisico als laag wordt ingeschat, dit geen afbreuk doet aan de actualiteit van de dreiging.
2.3.    Verder klaagt de minister terecht dat de rechtbank ten onrechte op basis van pas in beroep overgelegde stukken heeft overwogen dat het besluit van 20 december 2022 motiveringsgebreken bevat. Immers, de minister is in haar verweerschriften van 28 juli 2023 en 30 oktober 2023 wel degelijk gemotiveerd ingegaan op de verschillende door appellant overgelegde stukken, waaronder de rapportage van de casemanager van 3 februari 2023, het actieplan van 19 januari 2023, de rapportages arbeid van 26 januari 2023 en 17 oktober 2023, de rapportage van de mentor van 17 oktober 2023, de rapportage van de casemanager van 17 oktober 2023, het verlofplan en het bewijs van de inschrijving voor de cursus ‘puinruimen’. In dat licht betoogt de minister terecht dat zij deugdelijk heeft gemotiveerd dat uit deze stukken niet van een sterk gewijzigde situatie blijkt ten opzichte van de situatie ten tijde van de uitspraak van 11 november 2022, en dat de rechtbank niet heeft gemotiveerd welke stukken de minister buiten beschouwing zou hebben gelaten.
2.4.    De minister heeft in haar motivering bovendien, anders dan de rechtbank heeft overwogen, ook betrokken dat uit de ingebrachte stukken blijk van een positieve ontwikkeling in het gedrag van betrokkene in detentie. Zij heeft zich echter niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat daar beperkt gewicht aan toekomt in verhouding met de ernst van het misdrijf, de betrekkelijk recente pleegdatum, de duur van de opgelegde straf en de omstandigheid dat betrokkene sinds het plegen van het misdrijf uitsluitend in detentie heeft gezeten. Vergelijk de Afdelingsuitspraak van 18 mei 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1328, onder 3.1.
2.5.    De minister betoogt daarom terecht dat zij deugdelijk heeft gemotiveerd dat het persoonlijke gedrag van betrokkene een actuele bedreiging vormt voor een fundamenteel belang van de samenleving en dat zij voldoende kenbaar op de ingebrachte stukken is ingegaan.
2.6.    De grief slaagt.
3.       De tweede grief is gericht tegen het oordeel van de rechtbank dat de minister bij de belangenafweging van artikel 8 van het EVRM niet alle relevante feiten en omstandigheden over de zoon van betrokkene heeft betrokken. De rechtbank heeft de inhoud van de brief van Jeugdbescherming van 24 november 2021 en het rapport van de Raad voor de Kinderbescherming van 10 mei 2024 onjuist geïnterpreteerd en daardoor ten onrechte een onoverkomelijke belemmering om het gezinsleven in Polen uit te oefenen aangenomen, volgens de minister.
3.1.    Het betoog van de minister dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat zij de belangen van de minderjarige zoon van betrokkene onvoldoende heeft betrokken in de belangenafweging, slaagt. De rechtbank heeft de minister bij uitspraak van 11 november 2022 opgedragen om een nieuw besluit op het bezwaar van betrokkene te nemen en daarbij de belangen van de zoon van betrokkene inzichtelijk te betrekken in de belangenafweging. De rechtbank heeft de minister opgedragen om in te gaan op de belangen en omstandigheden dat de zoon van betrokkene in Nederland is geboren, naar school gaat en al zijn sociale contacten heeft; dat hij een hechte band heeft met zijn moeder; dat is gebleken dat beperkt contact op afstand met zijn moeder een negatieve invloed op hem heeft en dat Jeugdbescherming zorgen heeft over zijn blijvende veilige ontwikkeling als het contact met zijn moeder beperkt blijft tot contact op afstand via moderne communicatiemiddelen. Anders dan de rechtbank heeft overwogen, heeft de minister deze belangen en omstandigheden kenbaar bij haar belangenafweging betrokken. De minister heeft deze belangen echter niet van doorslaggevend gewicht geacht, omdat zij het belang van de openbare orde zwaar in het nadeel van betrokkene heeft gewogen.
3.2.    De minister betoogt verder terecht dat de rechtbank op basis van de brief van Jeugdbescherming en het rapport van de Raad voor de Kinderbescherming ten onrechte een onoverkomelijke belemmering heeft aangenomen om het gezinsleven in Polen uit te oefenen. De minister betoogt terecht dat, anders dan de rechtbank heeft aangenomen, uit deze stukken niet volgt dat de ongewenstverklaring van betrokkene zonder meer zal leiden tot ernstige ontwikkelingsschade bij haar zoon. De minister wijst er daarnaast terecht op dat Jeugdbescherming en de Raad voor de Kinderbescherming, voor zover zij wijzen op zorgen en mogelijke risico’s op ontwikkelingsschade, ten onrechte alleen zijn uitgegaan van de situatie waarin de ex-partner in Nederland blijft wonen en betrokkene naar Polen terugkeert. In die situatie zou de zoon, afhankelijk van of hij naar Polen verhuist of niet, op afstand invulling aan het gezinsleven moeten geven met zijn vader dan wel moeder. Zoals de minister betoogt, bestaat er echter geen onoverkomelijke belemmering voor de ex-partner en de zoon om naar Polen terug te keren om daar het gezinsleven met betrokkene uit te oefenen. Daarbij heeft de minister terecht betrokken dat de zoon Pools spreekt, Polen vaker in de vakanties heeft bezocht en daar ook familieleden heeft wonen, en dat de ex-partner zelf ook uit Polen afkomstig is. De wens van betrokkene, de zoon en de ex-partner om het gezinsleven in Nederland uit te oefenen, en het belang van de zoon om in Nederland onderwijs te volgen en zijn sociale contacten te onderhouden, heeft de minister onvoldoende mogen vinden om te concluderen dat het voor hen onmogelijk is om in Polen te verblijven. De minister heeft zich daarom niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat het een persoonlijke keuze van de ex-partner is om met de zoon naar Polen te verhuizen dan wel in Nederland te blijven. Als hij er in het belang van de zoon voor kiest om te remigreren, kan de zoon, zolang betrokkene in de gevangenis verblijft, invulling geven aan het gezinsleven met betrokkene op een vergelijkbare wijze als hij nu doet. Daarnaast kan de zoon betrokkene bij terugkeer naar Polen nog vaker zien zodra betrokkene, door middel van strafonderbreking en nadat zij haar straf heeft uitgezeten, buiten de gevangenis verblijft. Zoals de minister betoogt, zal het voor de zoon niet gemakkelijk zijn om terug te keren naar Polen, maar blijkt uit de stukken niet dat hij als gevolg daarvan ernstige ontwikkelingsschade zal oplopen.
3.3.    De grief slaagt.
4.       Het hoger beroep is gegrond. De Afdeling vernietigt de uitspraak van de rechtbank. Omdat er geen beroepsgronden zijn die nog bespreking behoeven, is het beroep tegen het besluit van 20 december 2022 alsnog ongegrond.
Het beroep tegen het besluit van 25 juli 2025
5.       Het besluit van 25 juli 2025 wordt, gelet op artikel 6:19, eerste lid, gelezen in samenhang met artikel 6:24 van de Awb, in de beoordeling betrokken. Uit wat hiervoor is overwogen, volgt dat aan dit besluit, dat ter uitvoering van de vernietigde uitspraak van de rechtbank is genomen, de grondslag is komen te ontvallen. Om deze reden zal de Afdeling dat besluit vernietigen.
Proceskosten
6.       De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I.        verklaart het hoger beroep gegrond;
II.       vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Middelburg, van 15 januari 2025 in zaak nr. NL23.1028;
III.      verklaart het beroep tegen het besluit van 20 december 2022, V-[…], ongegrond;
IV.      vernietigt het besluit van 25 juli 2025, V-280.241.2914.
Aldus vastgesteld door mr. J.H. van Breda, voorzitter, en mr. M. den Heyer en mr. V.V. Essenburg, leden, in tegenwoordigheid van mr. P.A.M.J. Graat, griffier.
w.g. Van Breda
voorzitter
w.g. Graat
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 7 januari 2026
936-1113