ECLI:NL:RVS:2026:712
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vernietiging uitspraak rechtbank wegens niet toekennen proceskosten bij overschrijding ophoudingstermijn
De minister van Asiel en Migratie stelde appellant op 16 november 2025 in bewaring. Appellant stelde beroep in tegen deze bewaring, maar de rechtbank Den Haag verklaarde dit beroep op 8 december 2025 ongegrond en wees het verzoek om schadevergoeding af.
Appellant ging in hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. De Afdeling oordeelde dat de rechtbank ten onrechte geen proceskosten had toegekend voor een overschrijding van de ophoudingstermijn met zestien minuten, wat een gebrek opleverde. Dit gebrek had aanleiding moeten zijn om de minister te veroordelen tot vergoeding van proceskosten.
De overige grieven van appellant werden niet gegrond verklaard omdat deze geen vragen bevatten die van belang zijn voor rechtseenheid, rechtsontwikkeling of algemene rechtsbescherming. De Afdeling achtte de bewaring verder niet onrechtmatig en verklaarde het hoger beroep gegrond.
De uitspraak van de rechtbank werd vernietigd voor zover deze naliet de minister te veroordelen tot vergoeding van proceskosten. De minister werd veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten voor zowel het beroep bij de rechtbank als het hoger beroep bij de Afdeling, ter hoogte van € 2.802,00, toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt gegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd voor zover deze geen proceskostenveroordeling bevat; de minister wordt veroordeeld tot vergoeding van proceskosten.