BRS.25.001701
Datum uitspraak: 10 februari 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
[betrokkene],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 20 oktober 2025 in zaak nr. NL25.38993 in het geding tussen:
[betrokkene]
en
de minister van Asiel en Migratie.
Procesverloop
Bij besluit van 12 augustus 2025 heeft de minister een aanvraag van appellant om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.
Bij uitspraak van 20 oktober 2025 heeft de rechtbank het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft appellant, vertegenwoordigd door mr. T. Thissen, advocaat in Alphen aan den Rijn, hoger beroep ingesteld.
De minister heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
Overwegingen
Inleiding
1. Appellant heeft de Pakistaanse nationaliteit en is christen. Hij heeft een asielaanvraag ingediend, omdat hij bij terugkeer naar Pakistan vreest voor problemen vanwege zijn geloof. Appellant heeft bij zijn asielaanvraag een kopie van een fatwa met een doodsvonnis overgelegd. Daarin wordt hij beschuldigd van blasfemie.
1.1. De minister gelooft dat appellant de Pakistaanse nationaliteit heeft en dat hij christelijk is. De minister heeft de asielaanvraag afgewezen. De minister heeft appellant onder meer tegengeworpen dat zij niet gelooft dat er tegen appellant een fatwa is uitgesproken. Daarom verwacht de minister van appellant dat hij terugkeert naar Pakistan. De rechtbank heeft de minister hierin gevolgd.
De minister heeft geen stukken van Bureau Documenten overgelegd
2. De rechtbank heeft overwogen dat de minister tijdens de zitting aan haar te kennen heeft gegeven dat de minister de kopie van de fatwa heeft voorgelegd aan Bureau Documenten. Volgens de minister heeft Bureau Documenten geconcludeerd dat het niet mogelijk is om onderzoek te doen naar het document, omdat er onvoldoende vergelijkingsmateriaal is en omdat de kwaliteit van het document onvoldoende is. De rechtbank overweegt dat de minister hier weliswaar geen rapport van heeft overgelegd, maar dat er geen aanknopingspunten zijn om aan de conclusies van Bureau Documenten te twijfelen. Daarbij heeft de rechtbank in haar oordeel betrokken dat de minister tijdens de zitting te kennen heeft gegeven dat bij de uitspraak waar appellant naar heeft verwezen in de beroepsgronden, het om dezelfde reden niet mogelijk was om de fatwa op echtheid te onderzoeken.
2.1. Appellant klaagt in zijn zesde grief terecht over dit oordeel van de rechtbank. Appellant betoogt terecht dat de rechtbank haar oordeel mede heeft gebaseerd op bevindingen van Bureau Documenten, terwijl de minister geen stukken van Bureau Documenten aan het dossier heeft toegevoegd waarin die bevindingen staan. Appellant heeft er terecht op gewezen dat hij daardoor geen kennis heeft kunnen nemen van de bevindingen van Bureau Documenten. Hij betoogt daarom terecht dat hij zich daarover ten onrechte niet goed heeft kunnen uitlaten. Dat heeft de rechtbank niet onderkend.
2.2. In zoverre slaagt de zesde grief.
0nderzoek door TOELT naar de kopie van de fatwa
3. Appellant klaagt in zijn zevende grief terecht dat de rechtbank niet heeft onderkend dat de minister ondeugdelijk heeft gemotiveerd waarom het ongeloofwaardig is dat er een fatwa tegen appellant is uitgesproken.
3.1. De minister heeft in haar schriftelijke uiteenzetting te kennen gegeven dat zij onderzoek heeft laten verrichten door TOELT naar de kopie van de fatwa van appellant. Daarbij stelt de minister dat zij de informatie van TOELT heeft betrokken in het voornemen van 8 augustus 2025 en het besluit van 12 augustus 2025.
3.2. De minister heeft weliswaar te kennen gegeven dat zij onderzoek heeft laten verrichten door TOELT, maar uit het voornemen van 8 augustus 2025 en het besluit van 12 augustus 2025 blijkt niet wanneer zij TOELT heeft benaderd, wat de precieze uitkomst is geweest van dit verzoek en om welke informatie van TOELT het precies gaat. Verder blijkt evenmin uit dat voornemen en besluit waarom de informatie van TOELT bijdraagt aan de conclusie van de minister dat zij het ongeloofwaardig vindt dat er een fatwa tegen appellant is uitgesproken. De rechtbank heeft daarom niet onderkend dat de minister het besluit in zoverre ondeugdelijk heeft gemotiveerd.
3.3. In zoverre slaagt de zevende grief.
Conclusie
4. Het hoger beroep is gegrond. De Afdeling vernietigt de uitspraak van de rechtbank. Het is niet nodig wat appellant verder heeft aangevoerd te bespreken. Het beroep is gegrond. De Afdeling vernietigt het besluit van 12 augustus 2025. De minister heeft in haar schriftelijke uiteenzetting aan de Afdeling te kennen gegeven dat zij niet beschikt over een rapport van Bureau Documenten, maar dat zij wel beschikt over mailwisselingen met het Bureau Documenten waarin de bevindingen staan over de kopie van de fatwa. De Afdeling heeft in haar brief van 14 november 2025, waarin zij de minister heeft verzocht een schriftelijke uiteenzetting te geven, ook aan de minister gevraagd om zulke stukken aan haar over te leggen. De minister heeft deze mailwisselingen niet overgelegd. De minister moet een nieuw besluit nemen en dit deugdelijk motiveren. Wanneer de minister daarbij verwijst naar stukken zoals de resultaten van het onderzoek van en de navraag bij Bureau Documenten, waaronder de mailwisselingen, dan moet zij de inhoud daarvan ter kennis brengen van appellant. De minister moet de proceskosten vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart het hoger beroep gegrond;
II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 20 oktober 2025 in zaak nr. NL25.38993;
III. verklaart het beroep gegrond;
IV. vernietigt het besluit van 12 augustus 2025, [V-…];
V. veroordeelt de minister van Asiel en Migratie tot vergoeding van bij appellant in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 2.802,00 geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Aldus vastgesteld door mr. C.M. Wissels, voorzitter, en mr. J.Th. Drop en mr. V.V. Essenburg, leden, in tegenwoordigheid van mr. R.D. Salverda, griffier.
w.g. Wissels
voorzitter
w.g. Salverda
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 10 februari 2026
992