ECLI:NL:RVS:2026:639

Raad van State

Datum uitspraak
4 februari 2026
Publicatiedatum
4 februari 2026
Zaaknummer
202408009/1/R3
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4.3 Invoeringswet OmgevingswetArt. 3.9 WaboArt. 2.12 WaboArt. 4 Besluit omgevingsrechtArt. 3.10 Wabo
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging omgevingsvergunning voor bouwproject Pribapand in beschermd stadsgezicht Den Haag

Het college van burgemeester en wethouders van Den Haag verleende op 11 augustus 2022 een omgevingsvergunning aan Vlamingstraat Investment Beheer BV voor de sloop van winkelruimten en de bouw van 76 woningen, commerciële ruimten en een fietsenstalling in het Pribapand in het centrum van Den Haag. De locatie valt onder het bestemmingsplan 'St. Jacobskerk e.o.' en betreft een rijksbeschermd stadsgezicht.

De stichting SOS Den Haag maakte bezwaar tegen de vergunning en stelde beroep in bij de rechtbank, die het beroep ongegrond verklaarde. De stichting stelde vervolgens hoger beroep in bij de Raad van State, stellende dat de ruimtelijke onderbouwing en de adviezen van de Welstands- en Monumentencommissie (WMC) onvoldoende waren en dat het college niet had voldaan aan de vereisten voor advies over de dubbelbestemming 'Waarde-Cultuurhistorie'.

De Raad van State oordeelde dat de rechtbank terecht had geoordeeld dat de ruimtelijke motivering voldoende was en dat de WMC het bouwplan adequaat had beoordeeld in het kader van de cultuurhistorische waarden. De Afdeling verwierp de bezwaren over de procedure en de inhoud van de adviezen en bevestigde het besluit tot vergunningverlening. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.

Uitkomst: Het hoger beroep van de stichting wordt ongegrond verklaard en de vergunning voor het bouwproject wordt bevestigd.

Uitspraak

202408009/1/R3.
Datum uitspraak: 4 februari 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
Stichting SOS Den Haag, gevestigd in Den Haag,
appellante,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 29 oktober 2024 in zaak nr. 23/2996 in het geding tussen:
de stichting
en
het college van burgemeester en wethouders van Den Haag.
Procesverloop
Bij besluit van 11 augustus 2022 heeft het college aan Vlamingstraat Investment Beheer BV (de vergunninghoudster) een omgevingsvergunning verleend voor het bouwen van een woongebouw met 76 woningen, commerciële ruimten en fietsenstalling in het centrum van Den Haag.
Bij besluit van 14 maart 2023 heeft het college het door de stichting daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 29 oktober 2024 heeft de rechtbank het door de stichting daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft de stichting hoger beroep ingesteld.
De vergunninghoudster heeft een schriftelijke uiteenzetting ingediend.
Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting ingediend.
De stichting heeft een nader stuk ingediend.
De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 15 januari 2026, waar de stichting, vertegenwoordigd door haar [voorzitter], en het college, vertegenwoordigd door mr. V. Wiebenga en K.H. van den Meerschout, zijn verschenen. Verder is op de zitting de vergunninghoudster, vertegenwoordigd door mr. S.A.B. Boer, advocaat te Amsterdam, vergezeld door [persoon], als partij gehoord.
Overwegingen
Overgangsrecht inwerkingtreding Omgevingswet
1.       Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Als een aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet, dan blijft op grond van artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op die aanvraag onherroepelijk wordt, met uitzondering van artikel 3.9, derde lid, eerste zin, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (de Wabo).
De aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend op 23 maart 2022. Dat betekent dat in dit geval de Wabo, zoals die gold vóór 1 januari 2024, van toepassing blijft.
Inleiding
2.       De aanvraag heeft betrekking op - kort gezegd - de sloop van winkelruimten en de ontwikkeling van in totaal 76 woningen en appartementen, commerciële ruimten en een fietsenstalling in het zogenoemde Pribapand, gelegen aan de Grote Marktstraat 16-18, Vlamingstraat 20-24 en Raamstraat 2 in Den Haag (het Pribapand). Ter plaatse geldt - onder meer - het bestemmingsplan "St. Jacobskerk e.o." (het bestemmingsplan). Op het pand rusten de bestemming ‘Gemengd-1’ en de dubbelbestemmingen ‘Waarde-Archeologie 1’ en ‘Waarde-Cultuurhistorie’.
Voorafgaand aan de aanvraag, op 8 maart 2022, heeft het college het Planuitwerkingskader Pribapand (het PUK) vastgesteld. Hierin zijn de voorwaarden opgenomen waaraan het plan voor het Pribapand dient te voldoen om gemeentelijke medewerking te krijgen.
3.       Over de aanvraag heeft de Welstands- en Monumentencommissie (de WMC) op 18 mei 2022 een advies uitgebracht, waarin zij op zich positief was over het bouwplan, maar waarin zij vanwege enkele kanttekeningen bij de plint en de uitwerking van het dakgroen uiteindelijk negatief heeft geadviseerd. Na aanpassing van de bouwtekeningen heeft de WMC op 29 juni 2022 positief geadviseerd. Het college heeft de gevraagde omgevingsvergunning vervolgens bij besluit van 11 augustus 2022 verleend. Omdat de maximaal toegestane bouwhoogten worden overschreden en het bestemmingsplan niet in de mogelijkheid voorziet om daarvan af te wijken, heeft het college met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 2˚, van de Wabo, gelezen in samenhang met artikel 4 van Pro bijlage II van het Besluit omgevingsrecht (het Bor), ook omgevingsvergunning verleend voor handelen in strijd met het bestemmingsplan. De hiertegen gemaakte bezwaren heeft het college ongegrond verklaard.
4.       Het door de stichting hiertegen ingestelde beroep heeft de rechtbank ongegrond verklaard. De stichting heeft tegen dit oordeel hoger beroep ingesteld.
Hoger beroep
5.       De stichting betoogt dat de rechtbank ten onrechte niet heeft onderkend dat de motivering van de bestreden besluitvorming geen goede ruimtelijke onderbouwing bevat. Het is evident dat de bedoelde vrijstellingsmogelijkheden niet bedoeld zijn om in een rijksbeschermd stadsgezicht de bouwhoogten te vergroten zonder ook maar te voorzien in een dragende ruimtelijke motivering, aldus de stichting.
5.1.    Deze grond is een herhaling van wat de stichting in beroep heeft aangevoerd. De rechtbank is gemotiveerd op deze grond ingegaan. De stichting heeft geen redenen aangevoerd waarom de gemotiveerde beoordeling van deze grond in de aangevallen uitspraak onjuist of onvolledig zou zijn. De Afdeling kan zich vinden in het oordeel van de rechtbank en in de onder 6.7 opgenomen overweging, waarop dat oordeel is gebaseerd. Zij voegt daaraan nog toe dat de omstandigheid dat in het PUK naast de reguliere vergunningsprocedure ook de procedure van de uitgebreide afwijkingsmogelijkheid is beschreven niet betekent dat die laatste procedure gevolgd had moeten worden. De beantwoording van de vraag welke voorbereidingsprocedure van toepassing is, is afhankelijk van de activiteit die is aangevraagd. Dat is geregeld in artikel 3.10, eerste lid, van de Wabo. De Wabo schrijft dwingend voor welke procedure op een aanvraag om omgevingsvergunning van toepassing is.
Het betoog slaagt niet.
6.       De stichting betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat de bestuurlijke medewerking, zoals is neergelegd in het PUK, slechts kan worden toegezegd aan een plan dat in strijd is met de dubbelbestemming ‘Waarde-Cultuurhistorie’ nádat het college zich hierover heeft laten adviseren in overeenstemming met artikel 29.2 van de planregels.
6.1.    Ook dit betoog slaagt niet. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (zie de uitspraak van 30 maart 2022, ECLI:NL:RVS:2022:942), bevat een PUK de kaders waaraan een nieuwe ontwikkeling op de locatie moet voldoen om medewerking van de gemeente te krijgen. Dat neemt niet weg dat de volledige afweging over de herontwikkeling van het pand plaatsvindt bij de beoordeling van het bouwplan. Bij die beoordeling moet aan de regels van het bestemmingsplan, waaronder in dit geval artikel 29.2, worden voldaan. Hierin is bepaald dat bouwen binnen de bestemming ‘Waarde-Cultuurhistorie’ moet plaatsvinden met inachtneming van de cultuurhistorische waarden als bedoeld in artikel 29.1 en nadat hierover advies is ingewonnen van de WMC. Dit betekent dat het college over het bouwplan advies moest vragen aan de WMC, wat het ook heeft gedaan. Dat, naar de stichting stelt, het college medewerking aan het bouwplan heeft verleend zonder deskundige advisering, is dus onjuist.
7.       De stichting betoogt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat de in de omgevingsvergunning opgenomen tekst van het advies van de WMC van 18 mei 2022 onvolledig is. Uit de volledige tekst van dit advies blijkt dat de WMC niet in de eerste plaats heeft getoetst aan de verbeelding en de bouwregels van het bestemmingsplan, maar dat zij heeft geadviseerd ‘op grond van de dubbelbestemming ‘Waarde-Cultuurhistorie’, op grond van het PUK met beeldkwaliteitsparagraaf en op grond van het beeldkwaliteitsplan Spuistraat-Vlamingstraat’. Nu de WMC had moeten adviseren over een afwijking van het geldende en beschermende bestemmingsplan, kleeft hiermee een gebrek aan haar advies. In het verlengde hiervan heeft ook de rechtbank miskend dat het plan aan het bestemmingsplan getoetst had moeten worden en niet aan het PUK, aldus de stichting.
7.1.    Anders dan de stichting betoogt, diende de WMC het bouwplan niet aan de verbeelding en de bouwregels van het bestemmingsplan te toetsen, maar diende zij op grond van artikel 29.2 van de planregels te adviseren over het bouwen met inachtneming van de cultuurhistorische waarden als bedoeld in artikel 29.1 van de planregels. De rechtbank heeft dit in r.o. 7.4 ook overwogen en daarmee geen onjuist toetsingskader gehanteerd.
Het betoog slaagt niet.
8.       De stichting betoogt ten slotte dat de adviezen van de WMC onzorgvuldig zijn en dat het college zich daarop niet heeft kunnen baseren. Uit de adviezen van de WMC blijkt niet dat is getoetst aan de waarden die toekomen aan het beschermd stadsgezicht. De WMC heeft die waarden ten onrechte ook niet benoemd. Verder blijkt uit de adviezen van de WMC niet dat zij het bouwplan heeft beoordeeld zoals het uit zal werken binnen de omgeving, en dan met name de Raamstraat, aldus de stichting.
8.1.    In artikel 29.1 van de planregels is bepaald dat de voor ‘Waarde - Cultuurhistorie’ aangewezen gronden mede bestemd zijn voor behoud en bescherming van de cultuurhistorische waarden van het Rijksbeschermd stadsgezicht Centrum Den Haag, zoals beschreven in het aanwijzingsbesluit Rijksbeschermd stadsgezicht 's Gravenhage uitbreiding van 28 juni 1994 (het aanwijzingsbesluit) met de bijbehorende toelichtingen. In één van die toelichtingen is beschreven dat (onder meer) het historische stramien van straten en wegen in het gebied rondom de St. Jacobskerk bij vernieuwingen bijzondere zorg vragen ten aanzien van het historische aspect van de situatie en dat het karakter van de, doorgaans smalle, straten bepaald wordt door voornamelijk 18e en 19e eeuwse lijstgevels, uitgevoerd in baksteen, op een smalle parcellering. Verder is daarin beschreven dat, zonder dat van bevriezing sprake is, de schaal en functie van nieuwe of te vernieuwen bebouwing zoveel mogelijk wordt geënt op en geïntegreerd in het bestaande ruimtelijke stramien, waarbij de aspecten van bebouwing en openbare ruimten zoveel mogelijk in waarde worden gelaten.
In haar advies van 18 mei 2022 heeft de WMC het volgende opgenomen: "De locatie vormt de schakel tussen de grotere schaal van de Grote Marktstraat en de kleinere schaal van de Vlamingstraat, via de smalle Raamstraat. In de Grote Marktstraat, een inmiddels historische doorbraak in de binnenstad, staan grootschalige gebouwen die worden getransformeerd en waaraan nieuwe gebouwen worden toegevoegd. De bebouwing aan de Vlamingstraat is, net als andere historische winkelstraten als de Spuistraat en Venestraat, divers en rijk aan structuren en architectuurstijlen. Aan deze gelaagdheid is het nu getoonde ontwerp een geslaagde toevoeging. Het gebouw doet zowel in opzet als architectuur recht aan de rijke en gevarieerde kwaliteiten van dit deel van de binnenstad. En daarmee doet het gebouw recht aan de kwaliteiten en waarden van het beschermd stadsgezicht.
(…)
De architectuur van het gebouw heeft — met uitzondering van het deel Vlamingstraat 20 — een eigen, nieuwe uitstraling met Interessante verwijzingen naar de Haagse architectuur(geschiedenis). De uitwerking, de keuze van materialen en de ambachtelijke toepassing daarvan, is bijzonder zorgvuldig. De architectuur heeft binnen haar eigen taal eenzelfde hoge kwaliteit als de omgeving. De commissie juicht het hergebruik van het natuursteen van het huidige gebouw toe."
8.2.    Uit deze passages blijkt dat de WMC onder meer de schaal en functie van de nieuwe bebouwing heeft beoordeeld en deze heeft afgezet tegen het bestaande ruimtelijke stramien. Daarmee is zij wel degelijk nagegaan of het bouwplan te verenigen is met de uitgangspunten van het aanwijzingsbesluit. Dat de WMC deze uitgangspunten niet uitdrukkelijk heeft benoemd, maakt het voorgaande niet anders. Dit geldt temeer nu de WMC in het advies wel uitdrukkelijk heeft benoemd dat zij het bouwplan heeft beoordeeld in het kader van de dubbelbestemming ‘Waarde - Cultuurhistorie’.
Het betoog slaagt in zoverre niet.
8.3.    De Afdeling volgt de stichting evenmin in haar betoog dat uit de adviezen van de WMC niet zou blijken dat zij het bouwplan heeft afgezet tegen de omgeving, waaronder de Raamstraat. De Afdeling wijst in dit kader op het advies van 18 mei 2022, waarin de WMC het volgende heeft opgenomen: "Het gebouw is geadresseerd aan drie straten. De gevel aan de Grote Marktstraat doet mee met de grote warenhuizen en winkel-/werk-/woongebouwen met een (optisch) hoge plint, een uitgelijnde eerste dakrand en een twee terug gelegde bouwlagen daarboven. Aan de Raamstraat wordt met drie lagen en een pergola, een geleding per drie vensterassen en verticale gevelopeningen slim aangesloten bij de historische pandstructuur aan de andere zijde van de straat. Aan de Vlamingstraat heeft het rechter deel van de gevel een grotere korrel met een verticale geleding en een bijzondere dakrand, vergelijkbaar met eerdere grootschaligere winkelpanden in de Vlamingstraat, de Spuistraat, de Venestraat en andere historische winkelstraten. Het linker deel aan de Vlamingstraat is een zorgvuldige kopie van de huidige gevel met een sterk verbeterde begane grond. Met drie verschillende gevels is toch sprake van een duidelijk geheel. In één gebouw worden de drie zijden, de drie schalen en sferen verbonden. Het gebouw bemiddelt tussen de drie zijden."
Ook in haar advies van 29 juni 2022 is de WMC op de verhouding met de omgeving, waaronder de Raamstraat, ingegaan: "Op de hoek Vlamingstraat - Raamstraat is een extra penant toegevoegd waarmee het plan nu voldoende landt, in lijn met hoekoplossingen in deze omgeving. Van de plint aan de Raamstraat zijn de dichte delen, de hellingbaan naar de fietsenstalling en de vide naar de kelder (als onderdeel van de openbare ruimte) nu in detaillering en materiaalstaat geborgd. De materialisering van dit interieur is robuust en sluit goed aan op de materialisering van de publieke ruimte. De kleur- en materiaalstaat is nader gespecificeerd."
Gelet op deze passages uit de adviezen van de WMC, slaagt het betoog van de stichting ook in zoverre niet.
Conclusie
9.       Het hoger beroep is ongegrond. De uitspraak van de rechtbank moet worden bevestigd.
10.     Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de uitspraak van de rechtbank.
Aldus vastgesteld door mr. A.J.C. de Moor-van Vugt, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. I.S. Ouwehand, griffier.
w.g. De Moor-van Vugt
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Ouwehand
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 4 februari 2026
752