ECLI:NL:RVS:2026:635

Raad van State

Datum uitspraak
4 februari 2026
Publicatiedatum
4 februari 2026
Zaaknummer
202401455/1/R1
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:46 AwbArt. 4.6 lid 3 Invoeringswet OmgevingswetWet ruimtelijke ordeningOmgevingswetInvoeringswet Omgevingswet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrond beroep tegen bestemmingsplan verbod kamerbewoning gemeente Gennep

De raad van de gemeente Gennep stelde op 18 december 2023 het bestemmingsplan 'Thematische herziening verbod kamerbewoning' vast, dat een verbod op kamerbewoning binnen de gemeente bevat met een binnenplanse afwijkingsmogelijkheid. Appellant, woonachtig in Gennep, stelde beroep in tegen dit besluit, met name gericht tegen het ontbreken van definities in artikel 1 van Pro de planregels en de binnenplanse afwijkingsmogelijkheid.

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State behandelde de zaak op 14 november 2025 en oordeelde dat het toepasselijke recht het recht was zoals dat gold vóór de inwerkingtreding van de Omgevingswet op 1 januari 2024. De Afdeling concludeerde dat het ontbreken van definities van 'woning', 'bestemmingsplan', 'zelfstandige woonruimte' en 'onzelfstandige woonruimte' niet leidt tot interpretatieproblemen en dat de raad voldoende duidelijkheid bood over het verbod op kamerbewoning.

Verder werd geoordeeld dat de verwijzing naar beleidsregels in artikel 3.4 van de planregels statisch is en niet leidt tot rechtsonzekerheid. Het beroep van appellant faalde in al zijn onderdelen. De Afdeling verklaarde het beroep ongegrond en wees de proceskostenveroordeling af.

Uitkomst: Het beroep tegen het bestemmingsplan verbod kamerbewoning is ongegrond verklaard.

Uitspraak

202401455/1/R1.
Datum uitspraak: 4 februari 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak in het geding tussen:
[appellant], wonend in Gennep,
appellant,
en
de raad van de gemeente Gennep,
verweerder.
Procesverloop
Bij besluit van 18 december 2023 heeft de raad het bestemmingsplan "Thematische herziening verbod kamerbewoning" vastgesteld.
Tegen dit besluit heeft [appellant] beroep ingesteld.
De raad heeft een verweerschrift ingediend.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 14 november 2025, waar de raad, vertegenwoordigd door J. Hasper, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.
Overwegingen
Overgangsrecht inwerkingtreding Omgevingswet
1.       Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Op grond van artikel 4.6, derde lid, van de Invoeringswet Omgevingswet blijft op een beroep tegen een besluit tot vaststelling van een bestemmingsplan waarvan het ontwerp vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet ter inzage is gelegd het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het bestemmingsplan onherroepelijk is.
2.       Het ontwerpplan is op 6 juli 2023 ter inzage gelegd. Dat betekent dat op deze beroepsprocedure het recht, waaronder de Wet ruimtelijke ordening (Wro), zoals dat gold vóór 1 januari 2024 van toepassing blijft.
Inleiding
3.       Het plan voorziet in een verbod op kamerbewoning in de gemeente Gennep. Aanleiding voor het plan is dat kamerbewoning ten onrechte niet overal in de gemeente in strijd is met het bestemmingsplan. Met een binnenplanse afwijkingsmogelijkheid kan van het verbod worden afgeweken. [appellant] woont in Gennep en wenst geen toename van kamerbewoning binnen de gemeente. Hij verzet zich vooral tegen de in het plan opgenomen binnenplanse afwijkingsmogelijkheid.
4.       De relevante wet- en regelgeving is opgenomen in de bijlage bij deze uitspraak. Deze bijlage is onderdeel van de uitspraak.
Toetsingskader
5.       Bij de vaststelling van een bestemmingsplan moet de raad bestemmingen aanwijzen en regels geven die de raad uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De raad heeft daarbij beleidsruimte en moet de betrokken belangen afwegen. De Afdeling oordeelt niet zelf of het plan in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening. De Afdeling beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan in overeenstemming is met het recht. Daarbij kan aan de orde komen of de nadelige gevolgen van het plan onevenredig zijn in verhouding tot de met het plan te dienen doelen.
Het beroep van [appellant]
6.       [appellant] betoogt dat de wijze waarop de raad de naar voren gebrachte zienswijze heeft behandeld in strijd is met artikel 3:46 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
Artikel 3:46 van Pro de Awb verzet zich er niet tegen dat de raad de zienswijzen samengevat weergeeft. Voor een voldoende motivering is het niet nodig dat op elk argument afzonderlijk wordt ingegaan. Niet is gebleken dat bepaalde bezwaren of argumenten niet in de overwegingen zijn betrokken. Het betoog faalt.
7.       [appellant] betoogt dat in artikel 1 van Pro de planregels ten onrechte definities van ‘bouwperceel’, ‘woning’, ‘bestemmingsplan’, ‘zelfstandige woonruimte’ en ‘onzelfstandige woonruimte’ ontbreken. Dit is volgens hem in strijd met de rechtszekerheid.
7.1.    De raad stelt dat het niet nodig is definities in het plan op te nemen van ‘woning’ en ‘bestemmingsplan’. Volgens de raad vallen onder bestemmingsplan ook uitwerkings- en wijzigingsplannen , omdat die onderdeel vormen van een bestemmingsplan. Verdere definities, zoals door [appellant] voorgesteld, zijn volgens de raad niet nodig vanuit oogpunt van rechtszekerheid.
7.2.    Voor zover [appellant] betoogt dat artikel 1 ten Pro onrechte geen definitie bevat van bouwperceel mist dit betoog feitelijke grondslag.
Ten aanzien van de andere door hem gestelde gebreken, overweegt de Afdeling dat [appellant] niet aannemelijk heeft gemaakt dat het ontbreken van definities voor ‘woning’, ‘bestemmingsplan’, ‘zelfstandige woonruimte’ en ‘onzelfstandige woonruimte’ leidt tot interpretatieproblemen bij het toepassen van de planregels. Er bestaat dan ook in zoverre geen aanleiding te oordelen dat het plan is vastgesteld in strijd met de rechtszekerheid. Het betoog faalt.
8.       [appellant] betoogt dat artikel 3.2 van de planregels in strijd is met de rechtszekerheid, aangezien onduidelijk is wanneer het aantal huishoudens binnen een bouwperceel wordt vergroot.
8.1.    De raad heeft zich op het standpunt mogen stellen dat met de definities van huishouden in artikel 1.5 en kamerbewoning in artikel 1.6 voldoende duidelijk is wanneer het verbod in artikel 3.2 wordt overtreden. Voor zover [appellant] betoogt dat niettemin onduidelijkheid kan ontstaan over wanneer precies het verbod wordt overtreden, heeft hij dit niet voldoende onderbouwd. Te meer niet nu in het vastgestelde paraplubestemmingsplan tevens een definitie van bouwperceel is opgenomen, zoals door [appellant] in zijn zienswijze naar voren is gebracht. Het betoog faalt.
9.       [appellant] betoogt dat de verwijzing in artikel 3.4, aanhef en onder a, van de planregels naar de beleidsregels vergunningverlening kamerbewoning leidt tot rechtsonzekerheid, aangezien beleidsregels eenvoudig kunnen worden aangepast en zonder inspraak van belanghebbenden.
9.1.    Anders dan [appellant] betoogt is in artikel 3.4, onder a, van de planregels geen dynamische, maar een statische verwijzing opgenomen naar de beleidsregels ‘Beleidsregels vergunningverlening kamerbewoning’ van het college van burgemeester en wethouders van Gennep van 26 januari 2021. Gelet ook op de overige voorwaarden in artikel 3.4 voor het afwijken van het verbod in artikel 3.2 van de planregels, ziet de Afdeling in wat [appellant] heeft aangevoerd geen aanleiding te oordelen dat het artikel in strijd is met het rechtszekerheidsbeginsel. Het betoog faalt.
10.     Wat [appellant] voor het overige heeft aangevoerd geeft geen aanleiding voor de conclusie dat het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan gebreken bevat.
Conclusie
11.     Het beroep is ongegrond.
Proceskosten
12.     De raad hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
verklaart het beroep ongegrond.
Aldus vastgesteld door mr. C.H. Bangma, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. L.A. van Heusden, griffier.
w.g. Bangma
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Van Heusden
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 4 februari 2026
647
Bijlage
Bestemmingsplan "Thematische herziening verbod kamerbewoning"
Artikel 1.4 bouwperceel: een aaneengesloten stuk grond, waarop ingevolge de regels een zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing is toegelaten.
Artikel 1.5 huishouden: één of meer personen die een gezamenlijke huishouding voeren, waarbij sprake is van continuïteit in samenstelling en onderlinge verbondenheid.
Artikel 1.6 kamerbewoning: de (gedeeltelijke) bewoning van een woning via kameruitgifte, waarbij kamers geen zelfstandige woonruimte vormen door het ontbreken van één of meer wezenlijke voorzieningen zoals een eigen kook- en/of wasgelegenheid en/of toilet.
Artikel 3.2 Verbod kamerbewoning: Het is verboden om het aantal huishoudens binnen een bouwperceel te vergroten ten behoeve van kamerbewoning.
Artikel 3.4 Afwijkingsbevoegdheid toestaan kamerbewoning
Het college van burgemeester en wethouders kan door middel van een omgevingsvergunning afwijken van het verbod zoals bedoeld in lid 3.2 , mits:
a.       dit in overeenstemming is met de beleidsregels vergunningverlening kamerbewoning, en;
b.       het aantal slaapplaatsen niet meer bedraagt dan 25, en;
c.       geen onevenredige aantasting plaatsvindt van het woon-en leefklimaat, waarbij in ieder geval ook andere vormen van wonen en verblijf in de omgeving worden betrokken, en;
d.       geen onevenredige aantasting plaatsvindt van de bouw- en gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden.