In deze zaak heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State het beroep van appellanten tegen het bestemmingsplan "Ens, Oost-fase 3" behandeld. Bij een eerdere tussenuitspraak van 9 juli 2025 werd de raad van de gemeente Noordoostpolder opgedragen een gebrek in het bestemmingsplan te herstellen, omdat het plan onvoldoende motiveerde hoe de bomen langs de erfgrens onderhouden konden worden.
De raad stelde op 13 oktober 2025 een gewijzigd bestemmingsplan vast met een strook "Groen" rondom het perceel van appellant, bedoeld om het onderhoud van de bomen mogelijk te maken. Appellant voerde aan dat deze strook te smal was, mede door de aanwezigheid van een erfsloot, en dat ook rekening gehouden had moeten worden met mogelijke verbreding van de erfsloot door het waterschap.
De Afdeling oordeelde dat de strook met bestemming "Groen" en de bouwaanduiding voldoende breed was (ongeveer 5,5 meter) en dat na aftrek van de erfsloot nog meer dan 3 meter overbleef, wat appellant zelf als voldoende beschouwde. Ook was er geen concrete aanwijzing dat het waterschap de erfsloot zou verbreden, zodat daar geen rekening mee hoefde te worden gehouden.
Het beroep tegen het oorspronkelijke besluit van 30 september 2024 werd gegrond verklaard en dat besluit vernietigd. Het beroep tegen het herstelbesluit van 13 oktober 2025 werd ongegrond verklaard. De raad werd veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.
Uitkomst: Het oorspronkelijke bestemmingsplan wordt vernietigd, het herstelbesluit wordt gehandhaafd en de raad wordt veroordeeld tot proceskostenvergoeding.
Uitspraak
202406512/5/R1.
Datum uitspraak: 4 februari 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak in het geding tussen:
[appellanten] (hierna samen en in enkelvoud: [appellant]), wonend in Ens, gemeente Noordoostpolder,
appellanten,
en
de raad van de gemeente Noordoostpolder,
verweerder.
Procesverloop
Bij tussenuitspraak van 9 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3128, heeft de Afdeling de raad opgedragen om binnen 16 weken het daarin beschreven gebrek in het besluit van de raad van 30 september 2024 tot vaststelling van het bestemmingsplan "Ens, Oost-fase 3" (bestemmingsplan) te herstellen.
Bij besluit van 13 oktober 2025 heeft de raad het bestemmingsplan opnieuw en gewijzigd vastgesteld.
[appellant] en OVT ontwikkeling B.V. zijn in de gelegenheid gesteld een zienswijze over het besluit van 13 oktober 2025 naar voren te brengen. [appellant] heeft bij brief van 14 november 2025 van die gelegenheid gebruik gemaakt. OVT ontwikkeling heeft van die gelegenheid geen gebruik gemaakt.
Bij brief van 10 december 2025 is van de zijde van de gemeente een nader stuk ingediend.
Bij brief van 24 december 2025 heeft [appellant] een nader stuk ingediend.
De Afdeling heeft bepaald dat een nadere zitting achterwege blijft en heeft het onderzoek gesloten.
Overwegingen
Brieven van de zijde van de gemeente
1. De begeleidende brief bij het besluit van 13 oktober 2025 en de brief van 10 december 2025 zijn beide afkomstig van het college van burgemeester en wethouders. [appellant] heeft aangegeven dat - gelet op het feit dat het in deze procedure gaat om besluiten van de raad - hij aan die stukken niet de juridische betekenis kan geven die hij hieraan zou willen geven.
Op grond van artikel 160, eerste lid, aanhef en onder e, van de Gemeentewet is het college bevoegd om namens de raad verweer te voeren, tenzij de raad anders heeft beslist en het rechtsgeding zelf wenst te voeren. Dat laatste in deze zaak niet gebleken.
In dit licht begrijpt de Afdeling de brieven van 13 oktober 2025 en 10 december 2025 zo dat het college deze heeft ingediend namens de raad. De Afdeling zal die brieven daarom als zodanig betrekken in deze procedure. Verder staat vast dat het besluit van 13 oktober 2025 door de raad zelf is genomen.
Beroep tegen het besluit van 30 september 2024 en de tussenuitspraak
2. In de tussenuitspraak heeft de Afdeling onder 4.1 overwogen dat [appellant] verplicht is om de bomen langs de erfgrens in stand te houden. Maar door het vaststellen van het bestemmingsplan wordt het erg lastig, zo niet onmogelijk om de bomen vanaf het naastgelegen perceel te onderhouden. Verder heeft de Afdeling overwogen dat de raad niet aannemelijk heeft gemaakt dat de bomen redelijkerwijs vanaf het eigen perceel onderhouden kunnen worden. De Afdeling heeft overwogen dat het bestemmingsplan daarom onvoldoende is gemotiveerd.
3. Gelet op wat in de tussenuitspraak is overwogen, is het beroep van [appellant] tegen het besluit van 30 september 2024 gegrond. Dit besluit moet wegens strijd met de artikel 3:46 vanPro de Algemene wet bestuursrecht (de Awb) worden vernietigd.
4. In de tussenuitspraak heeft de Afdeling aan de raad de opdracht gegeven om het gebrek in het besluit van 30 september 2024 te herstellen met inachtneming van wat in de tussenuitspraak onder 4.1 is overwogen.
Beroep tegen het herstelbesluit van 13 oktober 2025
5. Ter uitvoering van de opdracht in de tussenuitspraak heeft de raad bij besluit van 13 oktober 2025 (het herstelbesluit) het bestemmingsplan opnieuw en gewijzigd vastgesteld. Rondom het perceel van [appellant] is nu een strook opgenomen met de bestemming "Groen" en de bouwaanduiding "specifieke bouwaanduiding uitgesloten - bouwwerken", waarbinnen niet mag worden gebouwd.
6. Het beroep van [appellant] heeft op grond van artikel 6:19 vanPro de Awb van rechtswege mede betrekking op het herstelbesluit. Wat hij als zienswijze naar voren heeft gebracht, zal de Afdeling aanmerken als de gronden van het beroep van rechtswege tegen het herstelbesluit. De Afdeling zal die beroepsgronden hierna bespreken.
- Ligging erfsloot
7. [appellant] betoogt dat de strook met de bestemming "Groen" mogelijk te smal is om de bomen op zijn perceel te onderhouden vanaf het naastgelegen perceel. [appellant] wijst er namelijk op dat in het herstelbesluit staat dat rondom zijn perceel een onbebouwde strook van 3 m wordt aangehouden. Maar voor het onderhoud van zijn bomen is een onbebouwde strook van 5 m nodig, als rekening wordt gehouden met de breedte van de erfsloot die rondom zijn perceel loopt. Volgens [appellant] bevat het bestemmingsplan op dit punt daarom nog steeds een gebrek.
7.1. De Afdeling stelt vast dat de strook met de bestemming "Groen" en de bouwaanduiding "specifieke bouwaanduiding uitgesloten - bouwwerken" op de verbeelding bij het bestemmingsplan ongeveer, dan wel precies 5,5 m breed is, gemeten vanaf de perceelsgrens van het perceel van [appellant]. De raad heeft in zijn brief van 10 december 2025 toegelicht dat het Kadaster heeft vastgesteld dat de perceelsgrens van het perceel van [appellant] in het midden van de erfsloot ligt.
Na aftrek van de breedte van het gedeelte van de erfsloot dat binnen die strook ligt, van ongeveer 2 m, blijft er een strook van meer dan 3 m grond over die onbebouwd moet blijven en gebruikt kan worden om de bomen op het perceel van [appellant] te onderhouden. [appellant] heeft zelf aangegeven dat dit voldoende ruim is voor het onderhoud van de bomen op zijn perceel. Er is daarom geen aanleiding voor het oordeel dat het bestemmingsplan in zoverre nog een gebrek bevat.
Het betoog slaagt niet.
- Waterschap
8. [appellant] betoogt dat de raad ten onrechte geen rekening heeft gehouden met de mogelijkheid dat het waterschap Zuiderzeeland zou kunnen besluiten dat de erfsloot moet worden verbreed. In dat geval zou er volgens hem mogelijk niet genoeg ruimte meer zijn om de bomen op zijn perceel vanaf het naastgelegen perceel te onderhouden.
8.1. De Afdeling ziet in het betoog geen aanleiding voor het oordeel dat het plan een gebrek bevat. Daarbij is van belang dat [appellant] geen enkele omstandigheid heeft aangedragen waaruit afgeleid zou kunnen worden dat het waterschap van plan is om de erfsloot te verbreden. In verband daarmee bestaat geen grond voor het oordeel dat de raad bij de vaststelling van het herstelbesluit rekening had moeten houden met deze onzekere toekomstige gebeurtenis.
Het betoog slaagt niet.
Conclusie en proceskosten
9. Het beroep tegen het besluit van 30 september 2024 is gegrond. Dat besluit moet worden vernietigd.
10. Het beroep tegen het besluit van 13 oktober 2025 is ongegrond.
11. De raad moet de proceskosten vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart het beroep tegen het besluit van de raad van de gemeente Noordoostpolder tot vaststelling van het bestemmingsplan "Ens, Oost-fase 3" van 30 september 2024 gegrond;
II. vernietigt dat besluit;
III. verklaart het beroep tegen het besluit van de raad van de gemeente Noordoostpolder tot gewijzigde vaststelling van het bestemmingsplan "Ens, Oost-fase 3" van 13 oktober 2025 ongegrond;
IV. veroordeelt de raad van de gemeente Noordoostpolder tot vergoeding van bij [appellanten] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 2.335,00 geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatige verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat bij de betaling van genoemd bedrag aan één van hen, het bestuursorgaan aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan;
V. gelast dat de raad van de gemeente Noordoostpolder aan [appellanten] het door hen voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 187,00 vergoedt, met dien verstande dat bij betaling van genoemd bedrag aan één van hen, het bestuursorgaan aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan.
Aldus vastgesteld door mr. B. Meijer, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. C. Sparreboom, griffier.